2 Koningen 19
- En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.
- Daarna zond hij Eljakim, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz;
- En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkia: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.
- Misschien zal de HEERE, uw God, horen al de woorden van Rabsaké, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om de levenden God te honen, en te schelden, met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.
- En de knechten van de koning Hizkia kwamen tot Jesaja.
- En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gij tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars van de koning van Assyrië gelasterd hebben.
- Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
- Zo kwam Rabsaké weder, en vond de koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.
- Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende:
- Zo zult gij spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.
- Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?
- Hebben de goden der volken, die mijn vaders verdorven hebben, dezelve gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?
- Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaim, Hena en Ivva?
- Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.
- En Hizkia bad voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: O HEERE, God Israëls, Die tussen de cherubim woont! Gij zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde, Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt.
- O, HEERE! neig Uw oor en hoor, doe, HEERE! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die dezen gezonden heeft, om de levenden God te honen.
- Waarlijk, HEERE, hebben de koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest;
- En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.
- Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons toch uit zijn hand; zo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij, HEERE, alleen God zijt.
- Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, zeggende: Zo spreekt de HEERE, de God Israëls: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord.
- Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
- Wien hebt gij gehoond en gelasterd? en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen de Heilige Israëls!
- Door middel uwer boden hebt gij de HEERE gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogten der bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud zijns schonen velds.
- Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
- Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.
- Daarom waren haar inwoners handeloos; zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds, en de groene grasscheutjes, het hooi der daken, en het brandkoren, eer het over einde staat.
- Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
- Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
- En dat zij u een teken, dat men in dit jaar eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.
- Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en zal opwaarts vrucht dragen.
- Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion; de ijver van de HEERE der heirscharen zal dit doen.
- Daarom zo zegt de HEERE van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.
- Door de weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.
- Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wII.
- Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel des HEEREN uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
- Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineve.
- Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
Inleiding🔗
In het vorige hoofdstuk lazen wij van de grote benauwdheid, waarin Jeruzalem verkeerde, en wij verlieten het belegerd, beledigd en verschrikt, op het punt om door de Assyriërs te worden verzwolgen. Maar in dit hoofdstuk hebben wij een bericht van de heerlijke verlossing niet door zwaard of boog maar door gebed en profetie en door de hand van een engel.
I. In grote bekommernis zond Hizkia tot de profeet Jesaja, en verzocht om zijn gebeden, vers 1-5, en ontving een antwoord des vredes van hem, vers 6, 7.
II. Sanherib zond een brief aan Hizkia om hem door schrikaanjaging tot onderwerping te brengen vers 13.
III. Hierop beveelt Hizkia in een zeer plechtig gebed zijn zaak aan God, de rechtvaardige rechter, en smeekt Hem om hulp, vers 14-19.
IV. Door Jesaja zendt God hem een zeer troostrijke boodschap, hem verzekerende van uitkomst en redding, vers 20-34.
V. Het leger van de Assyriërs werd gedood door een engel, en Sanherib zelf gedood zijn eigen zonen, vers 35-37. Zo heeft God zich verheerlijkt en Zijn volk verlost.
2 Koningen 19:1-7🔗
De inhoud van Rabsaké’s rede aan Hizkia meegedeeld zijnde, zou men verwacht hebben - en waarschijnlijk heeft Rabsaké dit verwacht dat hij een krijgsraad zou beleggen, waarin gedelibereerd zou worden of het niet het beste zou zijn om maar te capituleren. Voordat de belegering plaatshad, "had hij raad gehouden met zijn vorsten en zijn helden", 2 Kronieken 32:3, maar dat baatte thans niet. Zijn grootste troost is dat hij een God heeft, tot wie hij heen kan gaan, en wij hebben hier een bericht van hetgeen er tussen hem en zijn God voorviel bij deze gelegenheid.
I. Hizkia toonde diepe smart over de oneer, die door Rabsaké’s Godslastering Gode was aangedaan. Toen hij het hoorde hoewel slechts uit de tweede hand, scheurde hij zijn klederen en bedekte zich met een zak, vers 1. Godvruchtige mensen plachten dit te doen, als zij hoorden van enigerlei smaad, die op Gods naam werd geworpen, en voorname mensen moeten het geen verkleining voor zich achten, om aldus hun leedwezen te betonen over de belediging van de eer van de grote God. Koninklijke klederen zijn niet te kostbaar om gescheurd, en koninklijk vlees is niet te goed om met een zak bedekt te worden in verootmoediging om de smaad, die aan God werd aangedaan, en vanwege de gevaren en verschrikkingen van Jeruzalem. Hiertoe riep God thans, en Hij was misnoegd over hen, die niet alzo gezind waren, Jesaja 22:12-24. "Zie daar is vreugde en blijdschap met runderen te doden en schapen te kelen, hoewel het een dag van beroering en van vertreding en van verwarring is in het dal des gezichts", vers 5, hetgeen op deze zelfde gebeurtenis ziet. De koning in een zak, maar velen van zijn onderdanen in zachte klederen.
II. "Hij ging in het huis des Heeren", naar het voorbeeld van de Psalmist die, als hij gegriefd was over de trotsheid en de voorspoed van de goddelozen, "in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte", Psalm 73:17. Hij ging in het huis Gods om te overdenken en te bidden, en zijn geest tot kalmte te brengen na deze beroering. Hij overwoog niet welk antwoord hij aan Rabsaké zou zenden, maar gaf de zaak Gode in handen: ‘Heere, Gij zult voor mij antwoorden’. In het huis des Heeren vond hij een rust en schuilplaats, een schatkamer, een magazijn, een raadzaal, alles wat hij behoefde, en alles in God. Als de vijanden van de kerk zeer vermetel en zeer dreigend zijn, dan is het de wijsheid en de plicht van de vrienden van de kerk om zich tot God te wenden, om zich op Hem te beroepen, en hun zaak in Zijn handen over te geven.
III. Hij zond tot de profeet Jesaja, en wel door eerbare boodschappers, ten teken van de grote eerbied, die hij voor hem koesterde, teneinde om zijn gebeden te verzoeken, vers 2-4. Eljakim en Sebna waren twee van hen die de woorden van Rabsaké hadden gehoord en het best instaat waren om Jesaja op de hoogte van de zaak te brengen. De oudsten van de priesters moesten in een tijd van benauwdheid zelf voor het volk bidden, Joël 2:17, maar zij moeten nu om Jesaja’s gebed gaan vragen omdat hij beter kon bidden en meer invloed had in de hemel. De boodschappers moesten met zakken bedekt tot hem gaan, omdat zij de koning moesten vertegenwoordigen, die nu aldus gekleed was. Hun boodschap aan Jesaja was: "Hef een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt", dat is: voor Juda, dat slechts een overblijfsel is nu de tien stammen weg zijn, voor Jeruzalem, dat slechts een overblijfsel is nu de vaste steden van Juda genomen zijn. Het is zeer wenselijk en hetgeen wij zeer moeten begeren als wij in benauwdheid zijn dat onze vrienden voor ons zullen bidden. Door hierom te vragen eren wij God, eren wij het gebed, eren wij onze broeders. Als wij de gebeden van anderen voor ons begeren, dan moeten wij daarom niet aflaten van voor onszelf te bidden. Toen Hizkia tot Jesaja het verzoek zond om voor hem te bidden, "ging hij zelf in het huis des Heeren, om zelf zijn gebed tot God op te zenden". Zeer bijzonder moeten wij het gebed begeren van hen, die van God tot ons spreken. Hij is "een profeet en hij zal voor u bidden", Genesis 20:7. De grote Profeet is de grote Voorbidder. Diegenen zullen waarschijnlijk overmogen bij God, die hun gebeden opheffen, dat is: die hun hart opheffen in het gebed. Als het zeer slecht staat met de belangen van Gods kerk, als er slechts nog een overblijfsel is, haar vrienden weinig talrijk en zwak, en daarbij nog in verwarring en verlegenheid zijn, dan is het tijd om ons gebed op te heffen voor dat overblijfsel.
1. Om Jesaja tot bidden op te wekken, wordt hem met nadruk op twee dingen gewezen.
a. Op hun vrees voor de vijand, vers 3. Hij is trots en beledigend, het is een dag van de benauwdheid en van de schelding en van de lastering, wij worden gesmaad. God wordt onteerd, nooit was zo’n koning en zo’n koninkrijk zo vertreden en verguisd als wij, "onze ziel is veel te zat des spots van de weeldigen, van de verachting van de hovaardigen", en het is als een zwaard in ons gebeente om te horen hoe zij ons betrouwen op God smaden en zeggen: Waar is nu uw God? En wat nog het ergste van alles is: wij zien niet hoe wij het kunnen verhelpen en ons van die smaad kunnen bevrijden. Onze zaak is goed, ons volk is getrouw, maar wij worden overweldigd door hun groot aantal, de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, nu is het de tijd, het kritieke ogenblik, wanneer indien ooit, wij geholpen moeten worden, een enkele slag, die de vijand zou treffen, zou onze wensen vervullen. Maar helaas, wij zijn niet bij machte die slag toe te brengen, daar is geen kracht om te baren . Onze toestand is allertreurigst en eist spoedige hulp, zoals een vrouw in barensnood, die geheel uitgeput is door haar weeën, zodat zij de kracht niet heeft om het kind ter wereld te brengen. Vergelijk hiermede Hosea 13:13. Wij zijn op het punt van om te komen, "zo gij iets kunt wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons".
b. Hun hoop op God. Tot Hem zien zij op, op Hem steunen zij, en vertrouwen dat Hij voor hen zal verschijnen, een woord van Hem zal de schaal doen overhellen en het bezwijkende overblijfsel redden, als Hij slechts de woorden van Rabsaké bestraft, dat is: ze weerlegt, vers 4, als Hij het op zich neemt de Godslasteraar te overtuigen en te schande te maken, dan zal alles wèl wezen. En zij vertrouwen dat Hij dit doen zal, niet om de wille van hun verdienste, maar om de wille van Zijn eigen eer, omdat hij "de levende God gehoond heeft" door Hem op een lijn te stellen met dove en stomme afgoden. Zij hebben reden om te denken dat de uitkomst goed zal zijn, omdat zij God kunnen vragen om Zijn twistzaak te twisten, Psalm 74:22. Sta op, o God! twist Uwe twistzaak. "Hij is de Heere uw God," zeggen zij tot Jesaja, "de uwe, wiens eer u ter harte gaat, en wiens gunst gij deelachtig zijt". Hij heeft de lasterlijke woorden van Rabsaké gehoord, en daarom misschien zal Hij ze horen en bestraffen. Wij hopen het. Help ons met uw gebeden om de zaak voor Hem te brengen, en dan zullen wij haar gerust aan Hem overlaten.
IV. God zond door Jesaja een boodschap aan Hizkia, om hem de verzekering te geven dat Hij zich zal verheerlijken in het verderf van de Assyriërs. Hizkia zond tot Jesaja, niet om te vragen naar hetgeen gebeuren zal, met welke boodschap velen tot de profeten hebben gezonden (zal ik van deze ziekte genezen? en dergelijke dingen meer), maar om zijn hulp te vragen bij het volbrengen van zijn plicht. Dat was zijn zorg en zijn begeerte, en daarom liet God hem weten wat de uitkomst zijn zal ter beloning van zijn zorg om zijn plicht te doen, vers 6, 7.
1. God acht dat de zaak Hem aangaat. Zij hebben Mij gelasterd.
2. Hij bemoedigt Hizkia, die zeer verschrikt is: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, het zijn slechts woorden, hoewel trotse vurige woorden, en woorden zijn slechts wind.
3. Hij beloofde de koning van Assyrië erger te verschrikken dan Rabsaké hem verschrikt heeft, Ik zal een wind over hem geven, vers 7, een verwoestende ademtocht, die zijn leger zal vernietigen, waarop hij door schrik en angst bevangen en naar zijn land gedreven wordt, waar de dood hem zal ontmoeten. Deze korte bedreiging uit de mond van God zal werking doen, als al de machteloze dreigementen uit Rabsaké’s mond in damp zullen opgaan.
2 Koningen 19:8-19🔗
Rabsaké, zijn boodschap overgeleverd en geen antwoord ontvangen hebbende of hij dit stilzwijgen voor toestemming hield, of voor minachting blijkt niet - liet zijn leger voor Jeruzalem onder het bevel van de andere generaals, en ging zelf tot de koning, zijn meester, om nadere orders. Hij vond hem Libna belegerende, een stad, die van Juda was afgevallen, Hoofdstuk 8:22. Of hij al of niet Lachis heeft ingenomen, is niet zeker, sommigen denken dat hij er van weggetrokken is, omdat hij de inneming er van onuitvoerbaar achtte, vers 8. Maar hij was nu verschrikt door het gerucht, dat de koning van Cusch, wiens land grensde aan dat van de Arabieren, met een groot heir tegen hem was uitgetrokken, vers 9. Dit deed hem verlangen om zo spoedig mogelijk in het bezit van Jeruzalem te komen. Om de stad met geweld te nemen zou hem meer tijd en manschappen kosten dan hij te missen had, daarom vernieuwt hij zijn aanval op Hizkia om hem te bewegen de stad gedwee aan hem over te geven. Hem eens een inschikkelijk man gevonden hebbende, Hoofdstuk 18:14, toen hij zei: "Wat gij mij opleggen zult, zal ik dragen", hoopte hij hem weer door schrikaanjaging tot onderwerping te brengen, maar tevergeefs.
I. Sanherib zond Hizkia een brief, een beledigende, Godlasterlijke brief, om hem te bewegen Jeruzalem over te geven, daar het toch geheel nutteloos voor hem zijn zou om weerstand te bieden. Zijn brief is van dezelfde strekking als Rabsaké’s redevoering, er wordt niets nieuws in aangevoerd. Rabsaké had tot het volk gezegd: "Laat Hizkia u niet bedriegen" Hoofdstuk 18:29. Sanherib schrijft aan Hizkia. Laat u uw God niet bedriegen vers 10. Zij, die "de God Jakobs tot hun hulp hebben, en wier verwachting op de Heere hun God is", behoeven niet te vrezen door Hem bedrogen te worden, zoals de heidenen door hun goden bedrogen werden. Om Hizkia te verschrikken en hem van zijn anker weg te drijven, maakt hij zich en zijn daden groot. Zie hoe trots hij roemt:
1. Op de landen, die hij veroverd heeft, vers 11, alle landen, en ten enenmale heeft verwoest! Hoe worden de molshopen van zijn overwinningen opgeblazen tot bergen! Zover was hij van alle landen verwoest te hebben dat op dit ogenblik het land van Cusch en Tirkaha, zijn koning, een verschrikking voor hem waren. Welke verbazende hyperbolen kan men verwachten in de lof, die hoogmoedige mensen zichzelf toezwaaien!
2. Van de goden, die hij overwonnen heeft, vers 12. "Ieder overwonnen volk had zijn goden, die zo weinig instaat waren ze te verlossen, dat zij met hen gevallen zijn, en zal dan uw God u verlossen?"
3. Van de koningen, die hij tenonder heeft gebracht vers 13, de koning van Hamath, en de koning van Arpad. Hetzij hij de vorst of de afgod bedoelt, hij wil zichzelf voorstellen als groter dan beide, en dus is hij zeer geducht, is hij de schrik van de machtigen in het land van de levenden.
II. Hizkia sluit die brief in een andere, een biddende, een gelovige brief, en zendt hem aan de Koning van de koningen, die oordeelt in het midden van de goden. Hizkia was niet zo hooghartig om de brief niet te willen ontvangen, hoewel wij kunnen onderstellen dat het opschrift hem zijn rechtmatige titels niet gaf, toen hij hem ontvangen had, was hij niet zo achteloos dat hij hem niet las, toen hij hem gelezen had geraakte hij niet in drift, waardoor hij hem in dezelfde tergende, beledigende taal ging beantwoorden, neen, maar hij ging onmiddellijk naar de tempel, en breidde de brief uit voor het aangezicht des Heeren vers 14. Niet alsof God het nodig had dat Hem brieven getoond worden, - Hij wist wat er in stond voordat Hizkia het wist, - maar hiermee gaf hij te kennen dat hij God erkende in al zijn wegen, dat hij de beledigingen die zijn vijanden hem aandeden, niet wenste te vergroten of te verzwaren, ze niet erger wilde voorstellen dan zij waren, maar ze in haar ware licht wenste te stellen, en dat hij zich ten opzichte van geheel de zaak aan God en Zijn rechtvaardig oordeel onderwierp. Hiermee wilde hij zich ook opwekken tot het gebed, dat hij in de tempel kwam doen, en wij hebben ook alle mogelijke hulpmiddelen nodig om ons te sterken tot die plicht. In het gebed, dat Hizkia nu deed, terwijl die brief daar open voor hem lag:
1. Aanbidt hij God, dat Sanherib had gelasterd, vers 15 noemt Hem de God Israëls omdat Israël Zijn bijzonder volk was, en de God, die tussen de cherubim woont, omdat dit de bijzondere woonstede was van Zijn heerlijkheid op aarde, maar hij geeft Hem eer als "de God van de gehele aarde", en niet, zoals Sanherib zich verbeeldde dat Hij was, alleen "de God Israëls", beperkt tot de tempel. Laat hen zeggen wat zij willen, Gij zijt de vrijmachtige Heere, want Gij zijt God, de God van de goden de enige Heere, Gij alleen, Heere van al de koninkrijken van de aarde, en rechtmatige Heere, want Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt. Schepper zijnde van alles zijt Gij door onbetwistbaar recht de eigenaar en regeerder van alles.
2. Hij doet een beroep op God betreffende de onbeschaamdheid en Godslastering van Sanherib, vers 16. O, HEERE! neig Uw oor en hoor, doe, HEERE! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die dezen gezonden heeft, om de levenden God te honen. Hier is het met zijn handtekening voorzien, zwart op wit. Indien Hizkia alleen beledigd en gescholden was, hij zou het voorbij hebben laten gaan, maar het is God, de levende God, die gehoond is, de ijverige God. "Heere, wat zult Gij nu Uw groten naam doen?"
3. Hij erkent Sanheribs triomfen over de goden van de heidenen, maar onderscheidt tussen hen en de God Israëls, vers 17, 18. Zij hebben hun goden in het vuur geworpen, want zij waren geen goden, niet instaat zichzelf te helpen of hun aanbidders bij te staan, en daarom is het geen wonder dat zij hen vernield hebben, en in hen te vernielen hebben zij, schoon zij het niet wisten, in werkelijkheid de gerechtigheid gediend van de God Israëls, die besloten heeft al de goden van de heidenen te verdelgen. Maar zij dwalen, die denken dat zij daarom ook Hem te sterk kunnen zijn. Hij is geen van de goden, die door mensenhanden gemaakt zijn, Hij zelf heeft alles gemaakt, Psalm 115:3, 4.
4. Hij bidt dat God zich nu zal verheerlijken in de nederlaag van Sanherib en de verlossing van Jeruzalem uit zijn handen, vers 18. Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons toch uit zijn hand, want als wij overwonnen worden ons land veroverd wordt zoals andere landen, dan zullen zij zeggen dat Gij overwonnen zijt zoals de goden dier landen overwonnen zijn, maar Heere, onderscheid U door ons te onderscheiden, en laat de gehele wereld weten, en tot de bekentenis gebracht worden, dat Gij, HEERE, alleen God zijt, de uit zichzelf bestaande, vrijmachtige God, en dat alle voorgewende goden ijdelheid en een leugen zijn. De beste pleitgronden in het gebed zijn die, welke ontleend zijn aan Gods eer, en daarom begint ook het gebed onzes Heeren met: "Uw Naam worde geheiligd", en besluit met: "U is de heerlijkheid".
2 Koningen 19:20-34🔗
Wij hebben hier het genadig uitvoerige antwoord, dat God op het gebed van Hizkia heeft gegeven. De boodschap, die Hij hem door dezelfde hand had gezonden, vers 6, 7, zou, naar men kon denken, een voldoend antwoord op zijn gebed kunnen zijn, maar opdat hij een sterke vertroosting zou hebben, wordt hij bemoedigd door twee onveranderlijke dingen, "in welke het onmogelijk is, dat God liege", Hebreeën 6:18. God verzekert hem, in het algemeen dat zijn gebed tegen Sanherib gehoord is, vers 20. De toestand van hen, die de gebeden van Gods volk tegen zich hebben, is zeer rampzalig. Want als de verdrukten tot God roepen tegen de verdrukker, dan zal Hij hen verhoren, Exodus 22:23. God hoort en verhoort, en dan zal "het heil van Zijn rechterhand zijn met mogendheden", Psalm 20:7. Deze boodschap spreekt van twee dingen:
I. Van schande over Sanherib en zijn krijgsmacht, hier wordt voorzegd dat hij vernederd en verbroken zal worden. De profeet richt op sierlijke wijze zijn rede tot hem, zoals in Jesaja 10:5. "O Assyriër, de roede Mijns toorns". Niet dat deze boodschap hem gezonden was maar wat hier tot hem gezegd wordt, werd hem bekend gemaakt door de gebeurtenis zelf. De Voorzienigheid sprak het tot hem met kracht en nadruk, en misschien werd zijn eigen hart genoodzaakt hem dit toe te fluisteren, want God heeft meer dan een middel om tot zondaars te spreken in Zijn toorn "en hen te verschrikken in Zijn grimmigheid", Psalm 2:5.
1. Sanherib wordt hier voorgesteld als de verachting van Jeruzalem, vers 21. Hij dacht de verschrikking te zijn van de dochter van Sion, deze kuise en schone maagd, en dat hij haar door zijn dreigementen zou dwingen zich aan hem te onderwerpen. Maar een maagd zijnde in haars Vaders huis en onder Zijn bescherming, trotseert, veracht, bespot zij u. Uw machteloze boosaardigheid is belachelijk. Hij die in de hemel zit, belacht u, en daarom doen ook zij het, die onder Zijn schaduw zijn gezeten. Met dit woord bedoelde God de vrees van Hizkia tot zwijgen te brengen, van hem en van zijn volk. Hoewel de vijand voor het oog van de zinnen zeer geducht scheen, was hij voor het oog des geloofs geheel verachtelijk.
2. Als een vijand van God, en dat was genoeg om hem rampzalig te maken. Hizkia zei in zijn gebed: "Heere, hij heeft U gehoond", vers 16. "Dat heeft hij, zegt God", en Ik neem het op als tegen Mijzelf", vers 22. "Wien hebt gij gehoond?" Is het niet de Heilige Israëls, wiens eer Hem dierbaar is, en die macht heeft haar te handhaven, welke macht de goden van de heidenen niet hebben? "Nemo me impune lacesset’ - Niemand zal Mij ongestraft beledigen".
3. Als een hoogmoedige, verwaande dwaas die grote, opgeblazen woorden van de ijdelheid sprak, en zichzelf roemde over een valse gift, door zijn roemen, of snoeven, zowel als door zijn dreigen de Heere horende. Want
a. Hij verheerlijkte bovenmate zijn eigen daden, en verre boven hetgeen zij werkelijk waren, vers 23, 24. Dit was niet in de brief die hij schreef, maar God laat aan Hizkia weten dat Hij niet slechts zag wat daarin geschreven was maar ook hoorde wat hij elders zei, waarschijnlijk in zijn toespraken tot zijn raadslieden of tot zijn legers. God neemt nota van het roemen of snoeven van hoogmoedige mensen, en zal hen ter verantwoording roepen opdat "Hij hen ziet en ten onder brengt", Job 40:7. Welk een prachtige, machtige figuur denkt Sanherib te maken! Zijn wagens drijvende naar de top van de hoogste bergen, zich een weg banende door bossen en stromen door alle beletselen heenbrekende, zich meester makende van alles wat hem aanstond, niets kon voor hem stand houden, niets hem worden onthouden, geen heuvels te hoog om door hem te worden beklommen, geen bomen te zwaar om door hem te worden geveld, geen wateren zo diep of hij zal ze uitdrogen, alsof hij de macht van God had, die spreekt en het geschiedt.
b. Hij eigende zich de eer toe van al deze grote dingen te doen, terwijl het in werkelijkheid alles des Heeren doen was, vers 25, 26. In zijn brief had Sanherib zich beroepen op hetgeen Hizkia gehoord had, vers 11. Gij hebt gehoord wat de koningen van Assyrië gedaan hebben, maar in antwoord hierop wordt hij herinnerd aan hetgeen God vanouds voor Israël gedaan heeft, de Rode Zee opdrogende, hen leidende door de woestijn, hen plantende in Kanaän. Wat betekent, hiermede vergeleken, uw doen? En wat aangaat de verwoestingen, die gij op de aarde hebt aangericht, inzonderheid in Juda, gij zijt slechts het werktuig in Gods hand, een bloot stuk gereedschap. "Ik heb dat doen komen", Ik gaf u uw macht, gaf u uw voorspoed, en maakte u wat gij zijt, Ik heb u opgewekt, om vaste steden te verwoesten, ten einde de inwoners te straffen voor hun goddeloosheid. Daarom waren haar inwoners bandeloos. Hoe dwaas en onbeschaamd was het van hem om zich boven God te verheffen, op hetgeen hij door Hem en onder Hem gedaan heeft. Sanheribs snoeverijen hier worden verklaard in Jesaja 10:13 14. "Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid", enz, en zij worden beantwoord in vers 15 :"Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmee houwt?" Het is zeker ongerijmd voor de vlieg op het wiel om te zeggen: Welk een stof maak ik! of voor het zwaard in de hand, om te zeggen: Welk een slachting richt ik aan! Als God de eerste werker is in alles wat geschiedt, dan is roemen voor altijd uitgesloten.
4. Als onder de teugel en de bestraffing van die God, die hij gelasterd had. Al zijn bewegingen waren,
a. Onder de Goddelijke kennisneming, vers 27. "Ik weet uw zitten" en wat gij in het geheim beraadslaagt en bedoelt, "uw uitgaan en uw inkomen, uw heen \en weer gaan, en uw woeden tegen Mij" en Mijn volk, het tumult uwer hartstochten, het tumult uwer toebereidselen, het geraas en getier, dat gij maakt, Ik weet het alles. Dat was meer dan Hizkia wist, die bericht wenste te hebben van de bewegingen des vijands, maar waartoe was het nodig als toch het oog van God hem voortdurend gadeslaat? 2 Kronieken 16:9. b. Onder het Goddelijk toezicht, vers 28. Ik zal Mijn haak in uw neus leggen, gij grote leviathan, mijn gebit in uw lippen, gij grote behemoth. Ik zal u in bedwang houden, u richten en regelen, u heenwenden waarheen Ik wil en u naar huis terugzenden, "re infecta", onverrichter zake, teleurgesteld daar gij uw doel niet hebt bereikt. Het is voor alle de vrienden van de kerk een grote troost, dat God een haak in de neus en een gebit in de lippen heeft van al haar vijanden dat zelfs hun toorn Hem kan doen dienen en loffelijk maken, en dan het overblijfsel er van kan opbinden. Hier zal Hij zich stellen tegen de hoogmoed van de golven.
II. Van redding en blijdschap voor Hizkia en zijn volk. Dit zal hun een teken zijn van Gods gunst en dat Hij met hen verzoend is, en dat "Zijn toorn is afgekeerd", Jesaja 12:1, een wonder in hun ogen (want dat is soms de betekenis van een teken), een teken ten goede, en een onderpand van de verdere zegen, die God nog voor hen heeft weggelegd, dat aan hun tegenwoordige benauwdheid in elk opzicht een goed einde zal komen.
1. De levensmiddelen waren schaars en duur, en hoe zullen zij aan voedsel komen? De vruchten van de aarde waren verteerd door het leger van de Assyriërs, Jesaja 32:9, 10 en verv. Wel, zij zullen niet slechts in het land wonen, maar ook voorzeker gevoed worden. Als God hen verlost, zal Hij hen niet laten verhongeren, hen niet, als zij aan het zwaard zijn ontkomen van honger laten sterven. "Eet in dit jaar dat vanzelf gewassen is", en gij z\ult er genoeg van vinden. Hebben de Assyriërs geoogst wat gij gezaaid hebt? Gij zult oogsten wat gij niet gezaaid hebt. Maar het volgende jaar was sabbatjaar, wanneer het land moest rusten en zij noch zaaien noch oogsten mochten. Wat moeten zij in dat jaar doen? Wel "Jehove-jireh", (de Heere zal voorzien). Gods zegen zal hun zaad en arbeid besparen en ook in dat jaar zal wat vanzelf groeit dienen om hen te onderhouden, om hen er aan te herinneren dat de aarde vruchten voortbracht, voordat er een mens was om haar te bebouwen, Genesis 1:11. En dan zal in het derde jaar hun landbouw als naar gewoonte zijn, dan zullen zij zaaien en oogsten zoals zij plachten te doen.
2. Het land was verwoest, de gezinnen waren verstrooid, alles was in verwarring, hoe kon het anders, als het vertreden was door zo’n heirleger? Wat dat nu betreft: er is beloofd dat "het ontkomene, dat overgebleven is van de huize Juda", dat is de landelijke bevolking, wederom in hun eigen woonsteden geplant zullen worden, op hun eigen bezittingen worden gevestigd, er wortelen zullen schieten, zich zullen vermenigvuldigen en rijk worden, vers 30. Zie hoe hun voorspoed beschreven wordt, het is een "nederwaarts" wortelen, en een "opwaarts" vrucht dragen, wèl gevestigd zijnde, en wèl voorzien voor zichzelf en dan goed doende aan anderen. Zodanig is de voorspoed van de ziel, het is een nederwaarts wortelen door geloof in Christus, en dan een vruchtbaar zijn in de vruchten van de gerechtigheid.
3. De stad was ingesloten, niemand ging uit of kwam in, maar nu zal het overblijfsel in Jeruzalem en Sion vrijelijk uitgaan, en niemand zal hen hinderen of verschrikken, vers 31. Grote verwoesting is aangericht geworden in de stad en op het land, maar zowel in de stad als op het land was een overblijfsel, dat ontkomen is, een type van het behouden overblijfsel van hen, die waarlijk Israëlieten zijn, zoals blijkt uit de vergelijking van Jesaja 10:22, 23 (waar van deze zelfde gebeurtenis gesproken wordt) met Romeinen 9:27, 28. Zij zullen uitgaan in de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods.
4. De Assyriërs rukten voorwaarts naar Jeruzalem en zouden het binnen weinig tijds formeel belegerd hebben, en het liep groot gevaar hun in handen te vallen. Maar hier wordt beloofd dat het beleg, dat zij vreesden, voorkomen zal worden, hoewel de vijand thans (naar het schijnt) voor de stad gelegerd was, zullen zij toch nooit "in de stad komen", ja, zij zullen er niet eens een pijl in schieten, vers 32, 33. Hij zal genoodzaakt zijn zich met schande terug te trekken en zal geheel zijn onderonderneming duizend maal berouwen. God zelf neemt de verdediging van de stad op zich vers 34, en die persoon, die plaats, moet wel veilig wezen, waarvan Hij de bescherming op zich genomen heeft.
5. De eer en de trouw van God zijn verpand voor het doen van dit alles. Dat zijn grote dingen, maar hoe zullen zij tot stand komen? Wel, de ijver des Heeren van de heirscharen zal dit doen, vers 31. Hij is de Heere van de heirscharen, heeft alle schepselen onder Zijn bevel, tot Zijn dienst, daarom is Hij instaat om het te doen. "Hij ijvert over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver", Zacharia 1:14, haar als een kuise maagd ondertrouwd hebbende, zal Hij haar niet laten beledigen of mishandelen, vers 21. "Gij hebt reden te denken dat gij het niet waardig zijt, dat zulke grote dingen voor u gedaan worden, maar Gods ijver zal het doen." Zijn ijver:
a. Voor zijn eigen eer, vers 34. "Ik zal het doen om Mijnentwil, om Mij een eeuwige naam te maken." Gods redenen om genadig te zijn vloeien voort uit Hemzelf.
b. Om Zijn waarheid: "Ik zal het doen om Mijns knechts Davids wil, niet om de wille van zijn verdienste, maar om de belofte aan hem gedaan en het verbond, dat met hem gemaakt is deze gewisse weldadigheden Davids." Zo worden al de verlossingen van de kerk gewerkt om der wille van Christus, de Zone Davids.
2 Koningen 19:35-37🔗
Soms duurde het lang eer het woord van de profetie tot vervulling kwam en wat beloofd was geschiedde, maar hier was niet zodra het woord gesproken of het werk was gedaan.
I. Het leger van de Assyriërs werd geheel verslagen. In de nacht, welke onmiddellijk volgde na het zenden van deze boodschap aan Hizkia juist toen de vijand zich voor de stad had neergeslagen en zich gereed maakte om zoals wij nu zeggen - de loopgraven te openen, in die nacht werd het gros van hun leger verslagen door een engel, vers 35. Hizkia had geen genoegzame krijgsmacht tot zijn beschikking om een uitval op hen te doen en hun legerkamp aan te vallen, en God wilde ook niet dat dit door zwaard of boog geschieden zou, maar in het holle van de nacht zond Hij om hen aan te vallen Zijn engel, een verderfengel, die hun schildwachten, hoe waakzaam ook, konden ontdekken noch weerstaan. Het was niet door het zwaard van een machtige, noch door het zwaard van een geringe - dat is, niet door het zwaard van enig mens maar van een engel, dat het Assyrische leger vallen moest, Jesaja 31:8, van zo’n engel als die de eerstgeborenen van Egypte verslagen heeft. Josefus zegt dat het geschiedde door een pestilentie, die hen terstond dood neervelde. Het aantal van de verslagenen was zeer groot, honderd vijf en tachtig duizend mannen onder wie ook waarschijnlijk Rabsaké was. Toen de belegerden zich des morgens vroeg opmaakten, zie, die allen waren dode lichamen, er was nog nauwelijks een levende onder hen te bespeuren. Sommigen denken dat bij die gelegenheid de 76ste Psalm werd geschreven, waarin wij lezen dat de stouthartigen beroofd zijn geworden en hun slaap gesluimerd hebben, hun laatsten, hun langdurigen slaap, vers 6. Zie hoe groot in kracht en vermogende heilige engelen zijn, als een engel in een nacht zo’n slachting kan aanrichten. Zie hoe zwak de machtigsten van de mensen zijn voor de almachtige God. Wie heeft ooit zijn hart tegen Hem verhard en is voorspoedig geweest? De hoogmoed en de Godslastering van de koning zijn gestraft door de verdelging van zijn leger. Al deze levens opgeofferd aan de heerlijkheid van God en de veiligheid van Sion. De profeet toont aan dat die grote vergadering aldaar werd toegelaten om "als garven te zijn tot de dorsvloer," Micha 5:12, 13.
II. De koning van Assyrië werd hierdoor tot de uiterste beschaming en verlegenheid gebracht, beschaamd om zich aldus na al zijn trots roemen en grootspreken verslagen te zien, niet instaat om zijn veroveringen voort te zetten en zich wat hij had te verzekeren - want wij kunnen onderstellen dat dit de bloem was van zijn leger - en in voortdurende angst om zelf ook door zo’n slag geveld te worden. Hij vertrok en toog heen en keerde weer, die wijze van uitdrukking toont de grote beroering en verbijstering aan, waarin hij verkeerde, vers 36, en het duurde niet lang voordat God ook hem afsneed door de handen van twee van zijn zonen, vers 37.
1. Zij, die het deden, waren zeer slecht om hun eigen vader te doden (dien zij verplicht waren te beschermen) en dat terwijl hij zijn god aanbad! Het was een afschuwelijke misdaad! Maar:
2. God was er rechtvaardig in. Rechtvaardig wordt aan de zonen toegelaten om tegen hun vader, die hen teelde, te rebelleren, toen hij rebelleerde tegen de God, die hem gemaakt heeft. Zij, wier kinderen ongehoorzaam en oneerbiedig jegens hen zijn, moeten eens bedenken en nagaan of zij zelf dit niet geweest zijn jegens hun Vader in de hemel. De God Israëls heeft genoeg gedaan om hem er van te overtuigen dat Hij de enig ware God is, die hij dus behoorde te aanbidden, maar hij volhardt in zijn afgoderij en zoekt bescherming bij zijn valse god tegen een God van onweerstaanbare macht. Rechtvaardig is zijn bloed gemengd met zijn offerande, die door zo’n klaar, duur verkregen bewijs van zijn dwaasheid om afgoden te aanbidden, niet overtuigd wil worden. Aan zijn zonen, die hem vermoord hadden, werd toegelaten te ontkomen, er werd geen vervolging tegen hen ingesteld, zijn onderdanen waren misschien de regering moede van zo hoogmoedig een man en blijde hem kwijt te wezen. En zijn zonen kunnen temeer verschoonlijk door hen geacht zijn in hetgeen zij gedaan hebben, indien het waar is (wat bisschop Patrick gist) dat hij nu de gelofte deed van hen aan zijn god te offeren, zodat het tot eigen lijfsbehoud was dat zij hem opofferden. Zijn opvolger was een andere zoon van hem, Esar-Haddon, die niet, zoals zijn vader, zijn veroveringen scheen te willen uitbreiden, maar er veeleer een goed gebruik van wilde maken, want hij was de eerste die kolonies van Assyriërs gezonden heeft om het land van Samaria te bewonen, hoewel dit tevoren al vermeld is Hoofdstuk 17:24, zoals blijkt uit Ezra 4:2, waar de Samaritanen zeggen: het was Esar-Haddon, die ons herwaarts heeft doen optrekken.