Matthéüs 27
- ALS het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks tezamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden.
- En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder.
- Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht,
- Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.
- En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde zichzelven.
- En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.
- En tezamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.
- Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag.
- Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den profeet Jeremía, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israëls, Denwelken zij gewaardeerd hebben;
- En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers, volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.
- En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide hem: Gij zegt het.
- En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
- Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet hoevele zaken zij tegen U getuigen?
- Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.
- En op het feest was de stadhouder gewoon het volk een gevangene los te laten, welken zij wilden.
- En zij hadden toen een welbekenden gevangene, genaamd Barábbas.
- Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij dat ik u zal loslaten, Barábbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?
- Want hij wist dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.
- En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.
- Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden dat zij zouden Barábbas begeren en Jezus doden.
- En de stadhouder antwoordende zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Barábbas.
- Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.
- Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden.
- Als nu Pilatus zag dat hij niet vorderde, maar veelmeer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig van het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.
- En al het volk antwoordende zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.
- Toen liet hij hun Barábbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.
- Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis en vergaderden over Hem de ganse bende.
- En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
- En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden.
- En op Hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn hoofd.
- En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af en deden Hem Zijn klederen aan en leidden Hem heen om te kruisigen.
- En uitgaande, vonden zij een man van Cyréne, met name Simon; dezen dwongen zij dat hij Zijn kruis droeg.
- En gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,
- Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
- Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.
- En zij nederzittende, bewaarden Hem aldaar.
- En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN.
- Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter- en een ter linkerzijde.
- En die voorbijgingen lasterden Hem, schuddende hun hoofden,
- En zeggende: Gij Die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven; indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis.
- En desgelijks ook de overpriesters met de schriftgeleerden en ouderlingen en farizeeën Hem bespottende, zeiden:
- Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israëls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.
- Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
- En hetzelve verweten Hem ook de moordenaars die met Hem gekruisigd waren.
- En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
- En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
- En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept Elía.
- En terstond een van hen toelopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.
- Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien of Elía komt om Hem te verlossen.
- En Jezus wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.
- En zie, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.
- En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt;
- En uit de graven uitgegaan zijnde na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad en zijn velen verschenen.
- En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en de dingen die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon.
- En aldaar waren vele vrouwen van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa om Hem te dienen;
- Onder dewelke was Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedéüs.
- En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.
- Deze kwam tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus dat hem het lichaam gegeven zou worden.
- En Jozef het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad,
- En legde dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.
- En aldaar was Maria Magdaléna en de andere Maria, zittende tegenover het graf.
- Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeeën tot Pilatus,
- Zeggende: Heer, wij zijn indachtig dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan.
- Beveel dan dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden. En zo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste.
- En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt een wacht; gaat heen, verzekert het gelijk gij het verstaat.
- En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.
Inleiding🔗
Het is een aandoenlijk verhaal, dat wij in dit hoofdstuk vinden van het lijden en de dood onzes Heeren Jezus. Op zichzelf beschouwd, kan ons geen meer tragische geschiedenis dan deze verhaald worden. Door gans gewone menselijkheid bewogen, zou ons hart nog smelten van medelijden, als wij zien, hoe een onschuldig en hoogst voortreffelijk persoon aldus mishandeld werd. Maar het doel en de vrucht van Christus’ lijden beschouwende, is het Evangelie, is het een blijde boodschap, dat Jezus Christus aldus overgeleverd is om onze zonden, en is er niets, waarin wij meer reden hebben te roemen dan in het kruis van Christus. In dit hoofdstuk zien wij:
I. Hoe Hij gerechtelijk vervolgd werd.
1. Overgeleverd wordt aan Pilatus, vers 1, 2.
2. De vertwijfeling van Judas, vers 3-10.
3. De terechtstelling en het verhoor van Christus voor Pilatus, vers 11-14.
4. Het vijandig geroep des volks tegen Hem, vers 15-25.
5. Het vonnis uitgesproken en het bevel tot de uitvoering er van ondertekend, vers 26.
II. Hoe Hij ter dood werd gebracht.
1. Hij werd op barbaarse wijze mishandeld, vers 27-30.
2. Heengevoerd naar de strafplaats, vers 31-33.
3. Dáár werden Hem alle mogelijke smaadheden aangedaan, vers 34-44.
4. Het donkere en dreigende aanzien des hemels voor Hem, vers 45-49.
5. Vele merkwaardige gebeurtenissen, die plaats hadden bij Zijn dood, vers 50-56.
6. Hoe Hij werd begraven, en een wacht bij Zijn graf gesteld, vers 57-66.
Matthéüs 27:1-10🔗
Wij lieten Christus in de handen van de overpriesters en ouderlingen, veroordeeld om te sterven, maar zij konden slechts hun tanden tonen, want ongeveer twee jaren tevoren hadden de Romeinen aan de Joden de macht ontnomen van de doodstraf te volvoeren. Zij konden niemand ter dood brengen, daarom wordt vroeg in de morgen nog een vergadering van de raad gehouden, om te overwegen wat er gedaan moest worden.
I. En hier wordt ons gezegd wat er in die ochtendzitting van de raad voorviel.
1. Christus wordt overgeleverd aan Pilatus, opdat deze het vonnis zou uitvoeren, dat zij geveld hadden. Bijna honderd jaren tevoren was Judea veroverd door Pompejus, en sedert altijd aan Rome schatplichtig gebleven. Kort tevoren werd het tot een deel van de provincie Syrië verklaard, en onderworpen aan het bestuur van de stadhouder van Syrië, onder wie verscheidene procurators waren, die zich meest met de inkomsten des lands hadden bezig te houden, maar soms, gelijk inzonderheid Pilatus, met de ganse macht van de stadhouder bekleed waren. Dit was een klaar bewijs, dat de scepter van Juda was geweken, en dat dus nu de Silo moest komen, overeenkomstig de profetie van Jakob, Genesis 49:10. Pilatus wordt door de Romeinse schrijvers van die tijd beschreven als een man van een ruw en hooghartig karakter, eigenzinnig en onverbiddelijk, uiterst hebzuchtig en verdrukkend. De Joden koesterden grote vijandschap tegen zijn persoon en waren zijn bestuur zeer moede, toch maakten zij van hem gebruik als het werktuig van hun boosaardigheid tegen Christus.
2. Zij bonden Jezus. Hij werd reeds gebonden bij zijn gevangenneming, maar zij hebben Hem of van de banden ontdaan toen Hij voor de raad stond, of zij hebben er nu nog aan toegedaan. Hem schuldig bevonden hebbende, bonden zij Hem de handen op de rug, zoals zij dit gewoonlijk met veroordeelde misdadigers deden. Hij was reeds gebonden met de koorden der liefde tot de mens, anders zou Hij deze banden wel spoedig verbroken hebben, zoals Simson de zijne. Wij waren gebonden met de banden onzer zonde, Prediker 5:22, maar God heeft het juk onzer overtredingen aangebonden aan Zijn hals, Klaagliederen 1:14, opdat wij door zijn banden ontbonden zullen worden, gelijk als ons door zijn striemen genezing is geworden.
3. Zij leidden Hem weg, als in triomf, leidden Hem heen als een lam ter slachting, zo is Hij uit de angst en het gericht weggenomen, Jesaja 53:7, 8. Het was omstreeks een mijl afstand van het huis van Kajafas naar dat van Pilatus. Dien gansen weg voerden zij Hem door de straten van Jeruzalem, toen zij zich in de morgen met mensen begonnen te vullen, ten einde Hem tot een schouwspel der wereld te maken.
4. Zij gaven Hem over aan Pontius Pilatus, overeenkomstig hetgeen Christus dikwijls gezegd had, namelijk dat Hij de heidenen overgeleverd zou worden. Beiden Joden en heidenen waren strafschuldig voor Gods gericht, en besloten onder de zonde, en Christus moest de Zaligmaker wezen van Joden en heidenen, daarom is Christus onder het oordeel van Joden en heidenen gebracht, en hebben zij beiden de hand gehad in Zijn dood. Zie hoe deze verdorven kerkregeerders misbruik maken van de burgerlijke overheid, haar gebruikende ter volvoering van hun onrechtvaardige raadsbesluiten, en hoe zij de moeite aandoen, die zij hadden voorgeschreven, Jesaja 10:1. Zo zijn ook de koningen der aarde ellendig bedrogen door de pauselijke machten, gedoemd tot het vuile werk om met het zwaard van de krijg, zowel als met het zwaard der gerechtigheid, diegenen uit te roeien, die zij, terecht of te onrecht, als ketters hebben gebrandmerkt, en dat wel tot groot nadeel van hun eigen belange.
II. Het geld, dat zij aan Judas betaald hebben voor zijn verraden van Christus, wordt hun door hem teruggebracht, en Judas, in vertwijfeling zijnde, verworgde zich. In hun gerechtelijke vervolging van Christus hebben de overpriesters en de ouderlingen er zich op beroepen, dat Zijn eigen discipel Hem aan hen heeft verraden, maar nu, in het midden dier vervolging, ontvalt hun dit steunsel, en zelfs hij wordt nu een getuige voor Christus’ onschuld en een gedenkteken van Gods gerechtigheid, hetwelk diende:
1. Tot eer en heerlijkheid van Christus temidden van Zijn lijden en als een proeve van zijn overwinning over Satan, die in Judas was gevaren.
2. Tot waarschuwing aan zijn vervolgers en om hen des te meer zonder verontschuldiging te laten. Indien hun hart er niet ten volle op gezet was om dit kwaad te doen, dan zou hetgeen Judas zei en deed hen nu toch van hun vervolging hebben moeten doen afzien.
a. Het berouw van Judas. Het was niet zoals het berouw van Petrus, die geloofde en vergeving ontving, Nee, hij had berouw, maar vertwijfelde en stortte zich in het verderf. Merk hier nu op: Wat hem tot berouw heeft gebracht. Het was, toen hij zag dat Christus veroordeeld was. Waarschijnlijk heeft Judas gedacht, dat Christus of uit hun handen was ontkomen, of zijn zaak zo voor hun rechtbank had bepleit, dat Hij werd vrijgesproken, en dan zou Christus de eer, de Joden de schande en hij het geld hebben gehad, zonder dat er kwaad was aangericht. Hij had geen reden dit te denken, want hij had zijn Meester dikwijls horen zeggen, dat Hij gekruisigd moest worden. Toch heeft hij het waarschijnlijk wèl gedacht, en toen de uitkomst niet aan zijn ijdele verwachting heeft beantwoord, heeft hem die ontzetting bevangen, daar hij zag dat de stroom sterk was tegen Christus, en Hij er zich door liet medevoeren. Zij, die de daden afmeten naar de gevolgen er van, veeleer dan naar de wet Gods, zullen bevinden, dat zij zich in hun maatregelen hebben vergist.
De weg der zonde is bergafwaarts, en wij kunnen ons zelf niet gemakkelijk op dien weg tot stilstaan brengen, veel minder nog kunnen wij het anderen, die wij op dien zondigen weg gebracht hebben. Hij heeft berouw gehad, dat is: hij was vervuld van droefheid, angst en toorn op zichzelf, toen hij nadacht over hetgeen hij gedaan had. Toen hij verzocht werd om zijn Meester te verraden, hadden de dertig zilveren penningen er zeer fraai en blinkend uitgezien, zoals de wijn die zich rood vertoont, als hij in de beker zijn verve geeft. Maar toen de zaak gedaan en het geld betaald was, was het zilver tot schuim geworden, het beet als een slang en stak als een adder. Nu is zijn geweten ontwaakt: "Wat heb ik gedaan! Welk een dwaas, welk een ellendig wezen ben ik, mijn Meester te verkopen en al mijn vertroosting en zaligheid in Hem voor zulk een beuzeling!
Al de mishandelingen en smaadheden, die Hem zijn aangedaan, komen mij ten laste, het is mijn schuld, dat Hij gebonden en veroordeeld is, bespogen en geslagen wordt. Weinig dacht ik, dat het daartoe komen zou, toen ik dien goddelozen koop sloot, zo dwaas was ik, en zo dom, en zo als een onvernuftig beest." Nu vloekt hij de beurs die hij had gedragen, het geld waarnaar hij zo begerig was, de priesters met wie hij had onderhandeld, en de dag waarop hij was geboren. De herinnering aan zijns Meesters goedheid voor hem, die hij op zo laaghartige wijze had vergolden, de ingewanden der barmhartigheid, die hij met minachting had afgewezen, en de waarschuwingen, die hij in de wind had geslagen, verstaalden zijn overtuiging van schuld en maakten haar tot een scherpe vlijm. Nu bevond hij de waarheid van het woord zijns Meesters: Het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest. De zonde zal weldra van smaak veranderen. Hoewel zij in de mond zoet is, zodat men het verbergt onder de tong, zal zij in het ingewand veranderd worden, zodat zij gal der adderen is in het binnenste, Job 20:12-14, zoals het boek van Johannes, Openbaring 10:9.
Wat de aanduidingen waren van zijn berouw.
Ten eerste. Hij heeft de dertig zilveren penningen de overpriesters en de ouderlingen weder gebracht, toen zij allen in het openbaar bijeen vergaderd waren. Nu brandde het geld hem in zijn geweten, en hij had er thans een even groten afkeer van, als hij er vroeger begerig naar geweest is. Onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet, Jeremia 13:10, Job 20:15. Indien hij berouw had gehad, en het geld terug had gebracht eer hij Christus had overgeleverd, hij zou het hebben kunnen doen met vertroosting voor zijn hart, dan was hij welgezind geweest terwijl hij nog op de weg was, maar nu was het te laat, nu kan hij het niet doen zonder afgrijzen, duizendmaal wensende, dat hij er zich nooit mede had ingelaten, Jakobus 5:3. Hij bracht het weer. Wat onrechtmatig verkregen is, moet niet worden behouden, want dat is volharden in de zonde, waardoor het verkregen werd, en een verdediging er van is niet bestaanbaar met berouw. Hij bracht het weer aan hen, van wie hij het ontvangen had, om hun te doen weten, dat hij er berouw van had de koop gesloten te hebben. Zij, die anderen gediend en verhard hebben in de zonde, behoren, als God hun berouw schenkt, dit te laten weten aan hen, in wier zonde zij gedeeld hebben, opdat het een middel moge zijn om hen tot berouw en bekering te brengen.
Ten tweede. Hij beleed zijn schuld vers 4, Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed!
1. Tot eer van Christus noemt hij Zijn bloed onschuldig. Indien Hij schuldig ware geweest aan zondige praktijken, dan zou Judas dit voorzeker hebben geweten, en als Zijn verrader, zou hij het dan ook hebben ontdekt, maar vrijwillig, en zonder er door iemand toe gedrongen te zijn, verklaart hij dat Hij onschuldig is, en dat tegenover allen, die Hem schuldig hadden verklaard.
2. Tot zijn eigen schande. Hij bekent dat hij gezondigd heeft, verradende het onschuldig bloed. Hij geeft niemand anders de schuld, hij zegt niet: Gij hebt gezondigd, mij hurende om dit te doen, maar hij neemt het alles op zich, voor zijn rekening, ik heb gezondigd, door dit gedaan te hebben.
Tot zover is Judas met zijn berouw gekomen, maar toch was het niet tot zaligheid. Hij beleed zijn zonde, maar niet aan God. Hij is niet tot Hem gegaan om te zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel. Hij beleed zijn verraden van onschuldig bloed, maar zijn goddeloze geldgierigheid, die de wortel was van dat kwaad, heeft hij niet beleden. Er zijn de zodanige, die Christus verraden en er zich nog in rechtvaardigen, en zo staan zij dan nog achter bij Judas.
b. Zie hoe de overpriesters en ouderlingen Judas’ berouwvolle bekentenis hebben opgenomen: Wat gaat ons dat aan? zeiden zij, gij moogt toezien. Hij maakte hen tot zijn biechtvaders, en dat was de absolutie, die zij hem gaven, meer gelijk priesters van de duivel dan gelijk priesters van de heiligen, levenden God. Zie op hoe onverschillige wijze zij spraken van het verraden van Christus. Judas had hun gezegd, dat het bloed van Christus onschuldig bloed was, en zij zeiden: Wat gaat ons dat aan?
Ging het hun niet aan, dat zij gedorst hadden naar Zijn bloed, Judas gehuurd hadden om het te verraden, en het nu veroordeeld hadden om onrechtvaardig te worden vergoten? Gaat hun dit niet aan? Houdt dit hen niet tegen in hun geweld, in hun heftige vervolging, is het hun geen waarschuwing om toe te zien bij hetgeen zij doen aan dezen Rechtvaardige? Aldus spotten de dwazen met de zonde, alsof er geen kwaad mede gedaan wordt, aan het bedrijven der grootste goddeloosheid geen gevaar was verbonden. Zo weinig weegt bij velen Christus gekruisigd, wat gaat het hun aan, dat Hij dit alles heeft geleden?
Zie met welk een onverschilligheid zij spreken van de zonde van Judas. Hij zei: Ik heb gezondigd, en zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Wat hebben wij van doen met uw zonde, dat gij er ons van spreekt? Het is dwaasheid om te denken, dat de zonden van anderen ons niet aangaan, inzonderheid die zonden, waaraan wij op de een of andere wijze medeplichtig zijn. Gaat het ons niet aan, dat God onteerd wordt, de zielen worden gewond, aan Satan genoegen wordt gedaan, zijn belangenworden gediend, en wij hieraan hebben medegedaan? Als de oudsten van Jizreël, om aan Isebel genoegen te doen, Naboth vermoorden, gaat dit dan Achab niet aan? Voorzeker wel, hij heeft doodgeslagen, en hij heeft bezit genomen, 1 Koningen 21:19.
De schuld der zonde wordt niet zo gemakkelijk overgedragen als sommige mensen wel denken. Indien er schuld in de zaak is, dan zeggen zij aan Judas, dat hij moet toezien, dat hij haar moet dragen.
Ten eerste, omdat hij Hem aan hen heeft overgeleverd. Zijn zonde is inderdaad groter, Johannes 19:11, maar hieruit volgt niet, dat zij geen zonde hadden. Het is een dagelijks voorkomend voorbeeld van de bedrieglijkheid van ons hart, om onze eigen zonden te verkleinen door anderer zonden te verzwaren. Maar het oordeel Gods is naar waarheid, niet naar vergelijking.
Ten tweede. Omdat hij wist en geloofde, dat Christus onschuldig was. Indien hij onschuldig is, gij moogt toezien, wij weten dat niet, wij hebben uitgewezen dat hij schuldig is, en mogen hem dus rechtvaardig als zodanig vervolgen. Slechte praktijken worden ondersteund door slechte beginselen, inzonderheid door dit beginsel: Dat zonde alleen zonde is voor hen, die haar zonde achten te zijn, dat het geen kwaad is om een goed man te vervolgen, als wij denken dat hij een slecht man is, maar zij, die denken aldus met God te kunnen spotten, zullen slechts zichzelf bedriegen en zichzelf in het verderf storten. Zie met welk een onverschilligheid zij spreken van die overtuiging van schuld, van verschrikking en naberouw, waaronder Judas was gekomen. Zij wilden hem gaarne gebruiken in de zonde, en toen was hij hun lief. Niemand was hun meer welkom dan Judas, toen hij zei: Wat wilt gij mij geven, en ik zal hem u overleveren? Toen zeiden zij niet: Wat gaat ons dat aan? Maar nu zijn zonde die angst over hem had gebracht, gaven zij niet om hem, hadden zij hem niets te zeggen, maar lieten hem over aan zijn verschrikkingen en angsten. Wat behoefde hij ook tot hen te komen met zijn naargeestige inbeeldingen? Zij hadden wel wat anders te doen dan zich met hem bezig te houden. Maar waarom zijn zij zo beschroomd, zo omzichtig?
Ten eerste. Wellicht waren zij wel een weinigje bevreesd, dat de vonken van zijn overtuiging, als zij al te nabij kwamen, een vuur in hun eigen geweten zouden doen ontsteken, en dat zij, naar zijn klagend gekerm luisterende, opgeschrikt zouden worden om in zijn overtuiging te delen. Hardnekkige zondaren zijn op hun hoede tegen overtuiging van schuld, en zij die vast besloten zijn tot onboetvaardigheid, zien minachtend neer op de boetvaardige.
Ten tweede. Zij waren niet geneigd Judas te hulp te komen, toen zij hem in de val gebracht hadden, lieten zij er hem niet slechts in liggen, maar belachten hem. Zondaren, die onder overtuiging van zonde zijn gekomen, zullen bevinden dat hun oude metgezellen in de zonde ellendige vertroosters zijn. Die het verraad liefhebben, zullen gewoonlijk de verrader haten.
c. Het uiterste der wanhoop, waartoe Judas hierdoor werd gedreven. Indien de overpriesters hem hadden beloofd van de vervolging af te zien, het zou hem tot enige vertroosting hebben gestrekt, maar geen hoop hierop bespeurende, verviel hij tot wanhoop, vers 5. Hij wierp de zilveren penningen in de tempel. De overpriesters wilden het geld niet aannemen, uit vrees van daardoor de gehele schuld op zich te nemen, terwijl zij er Judas de last van wilden laten dragen. Judas wilde het geld niet houden, het was te heet in zijn handen, daarom wierp hij het neer in de tempel, opdat het, of zij wilden of niet, de overpriesters toch in handen zou komen. Hij vertrok, en heengaande verworgde zichzelf. Hij vertrok - anechoorêse - hij trok zich terug in een eenzame plaats, gelijk de bezetene, die door de duivel in de woestijnen werd gedreven, Lukas 8:29. Wee hem, die vertwijfelt en alleen is.
Ten eerste. Indien Judas tot Christus ware gegaan, of tot sommigen der discipelen, wellicht zou hij, ontzettend als zijn zaak en toestand was, toch nog enigerlei verlichting hebben gevonden, maar die verlichting niet vindende bij de overpriesters, heeft hij zich aan wanhoop overgegeven, en dezelfde duivel, die hem met de hulp der priesters tot de zonde gebracht heeft, heeft hem nu met hun hulp tot wanhoop gebracht.
Ten tweede. Hij werd zijn eigen scherprechter. Hij verworgde zich, hij stikte van droefheid, zegt de een, maar de ander is er van overtuigd, dat de vertaling: Hij verworgde zich, juist is. Judas had bewustheid van zonde, maar geen begrip van Gods genade in Christus, en zo teerde hij uit in zijn ongerechtigheid. Zijn zonde was, naar wij mogen veronderstellen, uit haar aard niet onvergeeflijk, er zijn mensen verlost en behouden, die verraders en moordenaars van Christus geweest zijn, maar, evenals Kaïn, kwam hij tot de gevolgtrekking, dat zijn ongerechtigheid groter was dan dat zij vergeven zou worden, en zo wilde hij zich liever op des duivels genade werpen dan op Gods genade. Sommigen hebben gezegd, dat Judas meer gezondigd heeft in zijn wanhopen aan Gods genade, dan in zijn verraden van zijns Meesters onschuldig bloed. Nu hebben de verschrikkingen des Almachtigen zich in slagorde tegen hem gesteld. Al de vervloekingen, geschreven in Gods boek, gingen nu in zijn binnenste als het water, en als de olie in zijn beenderen, Psalm 109:18, gelijk dit van hem voorspeld was, en dreven hem tot dit wanhopig redmiddel om, ten einde aan de hel in zijn binnenste te ontkomen, zich neer te storten in de hel, die voor hen was, en die slechts de vervollediging en de voortduring was van dit afgrijzen en die vertwijfeling. Hij werpt zich in het vuur, om aan de vlam te ontkomen, maar rampzalig is de toestand van een mens, die naar de hel gaat, om verlichting en verademing te vinden.
In dit verhaal nu hebben wij:
1. Een voorbeeld van het rampzalig einde van diegenen, in wie Satan gevaren is, en inzonderheid van hen, die zich aan de liefde tot het geld hebben overgegeven. Dat is het verderf en de ondergang, waarin velen verzinken. 1 Timotheüs 6:9, 10. Herinner u hetgeen van de zwijnen geworden is, waarin, en van de verrader in wie, de duivel gevaren is, en geef de duivel geen plaats.
2. Wij hebben een voorbeeld van de toorn Gods, geopenbaard van de hemel over de goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen, Romeinen 1:18. Gelijk wij in de geschiedenis van Petrus de goedheid Gods aanschouwen en de overwinningen van Christus’ genade in de bekering van sommige zondaren, zo zien wij in de geschiedenis van Judas de strengheid Gods en de overwinningen van Christus’ macht en gerechtigheid in de beschaming van andere zondaren. Toen Judas, in wie de Satan gevaren was, zich aldus had verworgd, heeft Christus, de overheden en machten uitgetogen hebbende, die in het openbaar tentoongesteld, Colossenzen 2:15.
3. Wij hebben hier de ontzettende uitwerkselen der wanhoop, zij eindigt dikwijls in zelfmoord. Droefheid, zelfs droefheid over de zonde, die niet naar God is, werkt de dood, 2 Corinthiërs 7:10, de ergste soort van dood, want een verslagen geest, wie zal dien opheffen? Laat ons zo slecht van de zonde denken als wij kunnen, mits wij maar niet denken, dat zij onvergeeflijk is, laat ons wanhopen aan hulp in of van ons zelf, maar niet aan hulp van God. Hij, die zijn geweten tot rust denkt te brengen door zich het leven te benemen, daagt God uit om nu maar het ergste met hem te doen. En zelfmoord, hoewel door sommigen van de heidense moralisten voorgeschreven, is zeer zeker een middel, erger dan de kwaal, hoe verschrikkelijk die kwaal dan ook zij. Laat ons op onze hoede zijn tegen het begin van neerslachtigheid, en bidden: Heere, leid ons niet in verzoeking.
d. Hoe over het geld, dat Judas terugbracht, beschikt werd, vers 6-10. Er werd een akker voor gekocht, genaamd de akker des pottenbakkers, omdat de een of andere pottenbakker er de eigenaar van was, of hem in bezit had, of er dichtbij woonde, of omdat er de gebroken vaten van de pottenbakker op geworpen werden. En deze akker werd nu bestemd tot een begraafplaats voor de vreemdelingen, dat is: van bekeerlingen tot de Joodsen Godsdienst, die tot andere natiën behoorden, en, ter aanbidding naar Jeruzalem gekomen zijnde, aldaar gestorven waren. Dit lijkt nu wel een voorbeeld van hun menslievendheid, dat zij zorg droegen voor de begrafenis van vreemdelingen, en het duidt ook aan, dat zij - gelijk Paulus zegt, Handelingen 24:15, - zelf verwachtten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beiden der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen, want wij dragen zorg voor het dode lichaam, niet alleen omdat het de woning is geweest van een redelijke ziel, maar ook omdat het dit wederom zijn zal.
Maar het was geen voorbeeld van hun nederigheid, dat zij voor vreemdelingen een afzonderlijke begraafplaats wilden hebben, alsof dezen niet waardig waren om in hun begraafplaatsen gelegd te worden. Vreemdelingen moeten levend of dood op een afstand blijven, en dat beginsel moet zelfs meegaan in het graf. Houdt u bij uzelf, naakt tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij, Jesaja 65:5. De kinderen Heths waren beter gezind jegens Abraham, hoewel hij een vreemdeling in hun midden was, toen zij hem de keur hunner graven aanboden, Genesis 23:6. Maar de vreemden, die zich tot de Heere voegen, zullen, al zijn zij ook afzonderlijk begraven, opstaan met allen, die in Christus zijn gestorven. Dit kopen van de akker des pottenbakkers heeft niet plaatsgehad op de dag van Christus’ dood (toen hadden zij het te druk om aan iets anders te denken, dan Hem te vervolgen en te kwellen), maar niet lang daarna, want Petrus spreekt er van kort na Christus’ hemelvaart.
Het wordt hier echter vermeld:
Ten eerste. Om de geveinsdheid der overpriesters en ouderlingen in het licht te stellen. Boosaardiglijk vervolgden zij de gezegenden Jezus, maar nu
1. Bekruipt hen een gewetensbezwaar, om het geld in de offerkist, of corban, van de tempel te leggen, waarmee zij de verrader hadden gehuurd. Hoewel zij het misschien uit de offerkist hadden genomen, voorgevende dat het ten algemene nutte diende, en hoewel zij grote ijveraars waren voor het corban en alle pogingen in het werk stelden, om er het vermogen der natie in te laten vloeien, wilden zij er nu toch het geld niet in leggen, omdat het de prijs des bloeds was. De huur van een verrader achtten zij gelijk hoerenloon, en de prijs van een kwaaddoener (zulk enen als zij Christus verklaarden te zijn) gelijk aan de prijs van een hond, welke geen van beiden in het huis des Heeren gebracht mocht worden, Deuteronomium 23:18. Aldus zullen zij hun goeden naam en gezag hoog houden onder het volk, door hun een denkbeeld te geven van hun groten eerbied voor de tempel. Aldus hebben zij, die een kameel doorzwelgden, de mug uitgezegen.
2. Zij denken hetgeen zij gedaan hadden te vergoeden door deze goede daad om een begraafplaats voor de vreemdelingen te bezorgen, al was het dan ook niet op hun kosten.Aldus heeft men in tijden der onwetendheid de mensen doen geloven, dat het bouwen van kerken en het stichten of begiftigen van kloosters een vergoeding was voor een onzedelijk leven.
Ten tweede. Om de gunst aan te duiden, die door het bloed van Christus ook voor vreemdelingen, en zondaren uit de heidenen verworven is. Door de prijs van Zijn bloed is een rustplaats voor hen voorzien na de dood. Zo hebben velen der ouden dezen tekst verklaard en toegepast. Het graf is de akker des pottenbakkers, waar de lichamen heen geworpen worden als verachte en gebroken vaten, maar Christus heeft het met Zijn bloed gekocht voor hen, die zich vreemdelingen belijdende op de aarde, het betere land zoeken. Hij heeft er de eigendom van veranderd, (zoals een koper doet) zodat thans de dood onzer is en het graf onzer is, als een legerstede der ruste voor ons. De Duitsers noemen een begraafplaats Godsakker, want daarin zaait God Zijn volk, als een tarwegraan, Johannes 12:24, Hoséa 2:22, Jesaja 26:19.
Ten derde. Tot eeuwige schande van hen, die het bloed van Christus verkocht en gekocht hebben. Deze akker werd gewoonlijk Akeldama, dat is: akker des bloeds genoemd, niet door de overpriesters, want zij hoopten in deze begraafplaats de gedachtenis aan hun eigen misdaad te begraven, maar door het volk, dat nota nam van Judas’ bekentenis, dat hij het onschuldige bloed had verraden, hoewel de overpriesters dit van geen betekenis achtten. Zij gaven die naam aan de akker tot een eeuwige gedachtenis. Gods voorzienigheid heeft velerlei middelen om schande te verbinden aan de boze praktijken zelfs van groten of aanzienlijken, die, hoewel zij hun schande zoeken te bedekken, tot eeuwige versmaadheden zullen gesteld worden. Ten vierde. Opdat wij zien hoe de Schrift was vervuld, vers 9, 10.
Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia. De aangehaalde woorden worden gevonden in Zacharia 11:12, 13. Hoe zij hier gezegd worden door Jeremia te zijn gesproken, is een vraag, die moeilijk is op te lossen, maar de geloofwaardigheid van Christus’ leer hangt daar niet van af, want die bewijst zich Goddelijk te zijn, al zou er dan ook ten opzichte van onbeduidende omstandigheden in de schrijvers er van iets menselijks opgemerkt worden. In de Syrische overzetting, die zeer oud is, vinden wij alleen de woorden: hetgeen gesproken is door de profeet, zonder een naam te vermelden, waarom sommigen gedacht hebben, dat Jeremia er door een overschrijver is bijgevoegd.
Sommigen zijn van mening, dat al de profetieën in een boek verzameld zijnde, en de profeet Jeremia daar het eerst in voorkomende, het voor een overschrijver niet ongepast of onjuist is, om een plaats uit dat boek onder Zijn Naam aan te halen. De Joden plachten te zeggen: De geest van Jeremia was in Zacharia, en zo waren die beiden dan als een profeet. Sommigen vermoeden dat de woorden gesproken zijn door Jeremia, maar geschreven zijn door Zacharia, of wel, dat Jeremia het negende, tiende en elfde hoofdstuk van Zacharia geschreven heeft. Nu is deze plaats in de profetie een voorstelling van de grote minachting van God, die toen onder de Joden gevonden werd, en hoe weinig zij Hem vergolden de rijke zegeningen, die zij van Hem hadden ontvangen.
Maar hier werd in werkelijkheid gedaan, wat dáár slechts zinnebeeldig is uitgedrukt. De som gelds is gelijk, dertig zilverlingen, dit wogen zij voor zijn loon, daarop hebben zij Hem geschat! een heerlijke prijs! en deze werd in het huis des Heeren geworpen voor de pottenbakker, en dit is hier letterlijk vervuld. Wij zouden hetgeen er in Gods voorzienigheid voorvalt beter begrijpen, indien wij beter bekend waren met de taal en de uitdrukkingen der Schrift, want ook dezen zijn soms zo duidelijk op de beschikkingen der Voorzienigheid geschreven, dat wie voorbijloopt ze lezen kan. Wat David in overdrachtelijken zin gesproken heeft, Psalm 42:8, is door Jona in letterlijken zin toegepast: Al uw baren en uw golven gingen over mij heen, Jona 2:3.
Het geven van de prijs van Hem, die geschat werd, niet voor Hem, maar voor de akker des pottenbakkers, duidt aan: De hoge waarde, waarop Christus geschat behoort te worden. De prijs werd betaald, niet voor Hem, nee, toen hij voor Hem betaald werd, werd hij spoedig teruggebracht, met verachting als oneindig ver beneden zijn waardij, Hij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, en evenmin kan deze onuitsprekelijke gave met geld worden gekocht. De lage prijs, waarop Hij geschat werd. De kinderen Israëls hebben Hem wel zeer onderschat, toen die prijs slechts reikte om er een pottenbakkersakker voor te kopen, een armzalig plekje gronds, dat het aanzien niet waard was. Het was nog een toedoen aan zijn versmaadheid in Zijn gekocht en verkocht worden, dat het voor zo gering een prijs was.
Werp ze voor de pottenbakker, heet het in Zacharia, een gering koopman, geen aanzienlijk handelsman, die in zaken van waarde handelt. En merk op, het waren de kinderen Israëls, die Hem aldus onderschatten, zij die van Zijn eigen volk waren en beter hadden moeten weten, op hoe hoge waardij zij Hem hadden behoren te stellen, zij, tot wie Hij eerst was gezonden, wier heerlijkheid Hij was, en die Hij zo hoog had gewaardeerd en zo duur had gekocht. Hij heeft eens konings rantsoen voor hen gegeven, en de rijkste landen - zo kostelijk waren zij geweest in zijn ogen - Egypte, Morenland en Seba, maar zij gaven het rantsoen eens slaafs voor Hem, Exodus 21:32, en schatten Hem slechts naar de waardij van de akker eens pottenbakkers.
Zo is dat bloed vertreden geworden, hetwelk het koninkrijk der hemelen voor ons heeft gekocht. Maar dit alles was volgens hetgeen de Heere bevolen had, zo was het profetisch visioen, dat een type was van deze gebeurtenis, en zo was de gebeurtenis zelf, gelijk ook de andere omstandigheden van het lijden van Christus, naar de bepaalden raad en voorkennis Gods.
Matthéüs 27:11-25🔗
Wij hebben hier het bericht van hetgeen er voorviel in het rechthuis van Pilatus, toen de gezegende Jezus daar vroeg in de morgen werd heengebracht. Hoewel het geen dag was voor de zitting van het hof, heeft Pilatus toch terstond de zaak voor zich laten komen. Wij hebben hier:
I. Het verhoor van Christus voor Pilatus.
1. Zijn terechtstelling. Jezus stond voor de stadhouder als een gevangene voor de rechter. Vanwege onze zonde konden wij voor God niet staan, noch ons hoofd opheffen in zijn tegenwoordigheid, indien Christus niet aldus zonde voor ons ware gemaakt. Hij was beschuldigd, opdat wij vrijgesproken zouden worden. Sommigen denken, dat dit ziet op zijn kloekmoedigheid, Hij stond daar onverschrokken, onbewogen door al hun woeden. Zo stond Hij in het oordeel, opdat wij in Gods oordeel zouden kunnen staan. Hij stond daar als een schouwspel, gelijk Naboth, die toen hij beschuldigd werd in de hoogste plaats des volks gesteld werd.
2. De aanklacht tegen Hem: Zijt gij de koning der Joden? De Joden stonden thans niet slechts onder het bestuur, maar ook onder het zeer achterdochtig toezicht van de Romeinse overheden, waarvan zij zelf in de hoogste mate afkerig waren, maar toch wendden zij thans groten ijver voor, voor deze regering, Jezus beschuldigende van een vijand des keizers te zijn, Lukas 23:2, waarvan zij echter geen ander bewijs konden bijbrengen, dan dat Hij zich onlangs als de Christus had bekend. Nu dachten zij, dat wie de Christus was, de koning der Joden moest zijn, en hen uit de Romeinse macht moest verlossen, de wereldlijke heerschappij voor hen zou herstellen, en hun de macht zou geven om hun naburen onder hun voeten te vertreden. In overeenstemming met deze hersenschim beschuldigden zij onze Heere Jezus zich tot koning der Joden te willen opwerpen in tegenstand tegen het Romeinse juk, terwijl Hij, hoewel zeggende dat Hij de Christus was, toch niet zulk een Christus bedoelde.
Velen staan de heiligen Godsdienst van Christus tegen uit een verkeerd begrip van die Godsdienst, zij stellen zich dien voor in valse kleuren, en dan gaan zij hem bestrijden. Daar zij de stadhouder verzekerden, dat zo Hij zich de Christus noemt, Hij zich daarmee ook tot koning der Joden opwerpt, neemt de stadhouder aan als een bewezen feit, dat Hij rondgaat om de natie te verderven en de regering omver te werpen. Zijt gij een koning? Het was duidelijk, dat Hij dit niet was de facto, feitelijk, " Maar maakt gij aanspraak op de regering, denkt gij het recht te hebben om over de Joden te heersen?" Het is dikwijls het harde lot geweest van Christus’ heiligen Godsdienst om onrechtvaardig onder verdenking te komen bij de burgerlijke overheid alsof hij schadelijk en nadelig was voor koningen en landen, terwijl hij integendeel uiterst voordelig en weldadig er voor is.
3. Zijn antwoord: Jezus zei tot hem: " Gij zegt het. Het is zoals gij zegt, maar niet zoals gij het bedoelt. Ik ben een koning, maar niet zulk een koning als gij denkt. Aldus heeft Hij voor Pilatus de goede belijdenis betuigd en heeft zich niet geschaamd zich een koning te noemen, hoe bespottelijk dit ook scheen, noch heeft Hij gevreesd zich aldus te noemen, hoewel dit toen zo gevaarlijk was.
4. Het bewijs, vers 12, Hij werd van de overpriesters en ouderlingen beschuldigd. Pilatus vond geen schuld in Hem. Wat er ook gezegd werd, er werd niets bewezen, en wat er dus ontbrak aan bewijzen, vulden zij aan door schreeuwen en geweld. Zij volgden Hem met herhaalde beschuldigingen, maar door de herhaling werd er geloof aan gewerkt bij de stadhouder. Zij hadden geleerd niet slechts te lasteren, maar zeer krachtig en aanhoudend te lasteren. De beste mensen zijn dikwijls beschuldigd van de ergste misdaden.
5. Het stilzwijgen van de gevangene op de beschuldigingen Zijner vervolgers. Hij antwoordde niets.
a. Omdat dit niet nodig was, er werd geen beschuldiging aangevoerd, die zich niet zelf weerlegde.
b. Hij hield zich nu bezig met de grote zaak, die tussen Hem en Zijn Vader lag, aan wie Hij zich overgaf als een offer, om aan de eisen Zijner gerechtigheid te voldoen, en hiervan was Hij zo gans en al vervuld, dat Hij zich niet stoorde aan hetgeen zij tegen Hem inbrachten.
c. Zijn ure was gekomen, en Hij onderwierp zich aan de wil des Vaders: Niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. Hij wist wat de wil des Vaders was, en daarom heeft Hij. zich stilzwijgend overgegeven aan dien, die rechtvaardig oordeelt. Wij moeten door ons stilzwijgen ons leven niet wegwerpen, want wij zijn geen heer van ons leven, zoals Christus van het zijn was, ook kunnen wij niet, evenals Hij, weten of onze ure gekomen is. Maar wèl hebben wij hieruit te leren, om als wij gescholden worden niet weer te schelden, 1 Petrus 2:23.
Pilatus drong Hem te antwoorden, vers 13. Hoort gij niet, hoe vele zaken zij tegen U getuigen? Wat die zaken waren kunnen wij zien in Lukas 23:3, 5 en Johannes 19:7. Pilatus, die geen slechte gezindheid jegens Hem koesterde, wenste dat Hij zich zou ontschuldigen of verdedigen, hij dringt Hem hiertoe, en hij gelooft dat Hij het kan. Hoort gij niet? Ja, Hij hoorde, en nog hoort Hij alles wat onrechtvaardig tegen Zijn waarheid en weg wordt getuigd. Máar Hij zwijgt, omdat het de dag is van zijn lankmoedigheid en Hij antwoordt niet, zoals Hij weldra antwoorden zal, Psalm 50:3.
Hij verwonderde zich over Zijn stilzwijgen, dat hij niet verklaarde als minachting van het hof, maar als een geringschatting van zichzelf. Daarom wordt niet gezegd dat Pilatus hierom vertoornd is, maar wel dat hij er zich zeer over verwonderde, als over iets buitengewoons. Hij geloofde Hem onschuldig, en hij had wellicht wel eens gehoord, dat nooit een mens gesproken heeft gelijk deze mens, en daarom kwam het hem vreemd voor, dat Hij geen woord voor zichzelf te zeggen had.
Nu hebben wij:
II. Het honend geweld des volks in hun aanhouden bij de stadhouder om Christus te kruisigen. De overpriesters hadden groten invloed op het volk, zij noemden hen Rabbi, Rabbi, maakten een afgod van hen, en hoorden alles wat zij zeiden aan alsof het Godsspraken waren. Hiervan maakten zij gebruik om hen tegen Hem op te zetten, en zo hebben zij dan met behulp van het gepeupel hun zin doorgedreven. Nu hebben wij hier twee voorbeelden van hun beledigend geweld.
1. Zij gaven de voorkeur aan Barabbas boven Hem, wilden liever dat deze zou losgelaten worden dan Jezus.
a. Het scheen een gewoonte geworden te zijn bij de Romeinse stadhouders om de Joden ter wille te zijn door hun ter eer van het Paasfeest een gevangene los te laten, vers 15. Dit, dachten zij, eerde het feest, en paste bij de herdenking van hun bevrijding, maar dit was een verzinsel van hen, doch geen Goddelijke inzetting, hoewel sommigen denken dat het een zeer oud gebruik was, reeds in zwang onder de Joodse koningen, voordat het land nog een provincie van het Romeinse rijk was geworden. Het was echter een slechte gewoonte, een hindernis voor de gerechtigheid, en een aanmoediging van goddeloosheid. Maar ons EvangeliePascha wordt gevierd door de bevrijding van gevangenen door Hem, die macht heeft op de aarde de zonden te vergeven.
b. De gevangene, in mededinging gebracht met onze Heere Jezus, was Barabbas. Hij wordt hier een welbekende gevangene genoemd, vers 16, hetzij omdat hij door geboorte en opvoeding als een welbekend persoon gold, of wel omdat hij zich door iets buitengewoons in het bedrijven zijner misdaden had gekenmerkt. Of hij nu welbekend was op een wijze, of om een reden, die hem in de gunst des volks aanbeval, of hem blootstelde aan hun woede, is onzeker. Sommigen denken het laatste, en dat Pilatus hem daarom noemde, wijl hij het voor zeker hield, dat zij de loslating van ieder ander boven de zijn zouden verkiezen. Verraad, moord en oproer zijn de drie ergste misdaden, die gewoonlijk door het zwaard der gerechtigheid worden gestraft, en Barabbas had zich aan alle drie schuldig gemaakt, Lukas 23:19, Johannes 18:40. Een welbekende gevangene voorwaar, wiens misdaden zo velerlei waren!
c. Het voorstel werd gedaan door Pilatus, de stadhouder, vers 17. Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten? De rechter had waarschijnlijk het recht twee voor te dragen, uit welke het volk dan een te kiezen had. Pilatus stelde hun voor Jezus los te laten, hij was overtuigd van zijn onschuld, en dat de vervolging uit kwaadwilligheid plaatshad. Toch had hij de moed niet Hem op eigen gezag vrij te spreken, dat hij had behoren te doen, hij wilde Hem in vrijheid laten stellen door de keuze des volks, en zo hoopte hij dan zijn eigen geweten te bevredigen en ook voldoening te geven aan het volk, terwijl hij, geen schuld in Hem vindende, Zijn leven niet in gevaar had moeten brengen, door het van de volkskeuze te laten afhangen, of Hij al of niet losgelaten zou worden. Maar zulke kunstgrepen om de zaken te schikken en te plooien, het geweten te bevredigen en de wereld te vriend te houden, worden gewoonlijk te baat genomen door hen, die meer de mensen zoeken te behagen dan God. Wat zal ik dan doen met Jezus, die genaamd wordt Christus?
Hij herinnert het volk er aan, dat deze Jezus, wiens loslating hij hun voorstelt, door sommigen van hen voor de Messias werd gehouden, en dat Hij zulke gewichtige en nadrukkelijke bewijzen had gegeven, dat Hij dit ook werkelijk was. "Verwerp Hem niet, van wie uw volk zulk een verwachting heeft beleden." De reden, waarom Pilatus zich zo beijverde om Jezus’ vrijlating te verkrijgen, was, dat hij wist dat de overpriesters Hem door nijdigheid overgeleverd hadden, vers 18, dat het niet zijn schuld of misdaad, maar zijn goedheid was, waaraan zij zich ergerden, en daarom hoopte hij Hem vrij te krijgen door de daad des volks.
Toen David benijd werd door Saul, was hij de lieveling van het volk, en ieder, die de hosanna’s had gehoord, waarmee Jezus slechts weinige dagen tevoren bij zijn intrede in Jeruzalem door het volk werd begroet, zou gedacht hebben, dat Hij evenzo bij het volk bemind was, en dat Pilatus zich hieromtrent dus veilig tot het volk kon wenden, inzonderheid als zo berucht een misdadiger de mededinger was naar hun gunst. Maar de uitkomst bleek anders.
d. Terwijl Pilatus aldus werkte voor de zaak, werd hij gesterkt in zijn onwil om Jezus te veroordelen door een boodschap, die hem door zijn vrouw werd gezonden, vers 19, een boodschap, die een waarschuwing inhield: Heb toch niet te doen met dien rechtvaardige, want ik heb heden veel geleden in de droom om zijnentwil. Die boodschap is aan Pilatus waarschijnlijk openlijk meegedeeld, zodat allen, die tegenwoordig waren het hoorden, want zij was bedoeld als een waarschuwing, niet slechts aan hem, maar ook aan de vervolgers.
Merk op: De bijzondere voorzienigheid Gods in het zenden van dien droom aan Pilatus’ huisvrouw. Het is niet waarschijnlijk, dat zij tevoren iets omtrent Christus gehoord had, tenminste niet iets, dat dromen bij haar kon doen ontstaan, maar die droom kwam onmiddellijk van God. Wellicht was zij een der Godsdienstige en eerlijke vrouwen, die dus wel enig besef had van Godsdienst, maar God heeft zich door dromen geopenbaard aan sommigen, die die niet hadden, zoals aan Nebukadnezar. Zij had veel geleden in dezen droom, hetzij zij droomde van de wrede mishandeling van een onschuldige, of van het oordeel, dat hen zou treffen, die de hand hadden in Zijn dood, of wellicht beide, in elk geval scheen het een verschrikkelijke droom te zijn, en hare gedachten beroerden haar, zoals in Daniël 2:1, 4:5.
De vader der geesten heeft vele middelen van toegang tot de geesten der mensen, en kan in de droom hun onderrichting verzegelen door het gezicht des nachts, Job 33, 15, 16. Maar tot hen, die het geschreven woord hebben, spreekt God meer gewoonlijk door het geweten als zij wakker zijn, dan in dromen als een diepe slaap op de lieden valt.
De tedere zorg van Pilatus’ huisvrouw in het zenden dier boodschap aan haren echtgenoot: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige.
Ten eerste. Dit was een eervol getuigenis voor onze Heere Jezus, getuigende van Hem, dat Hij rechtvaardig was, zelfs nu Hij gerechtelijk wordt vervolgd als de ergste kwaaddoener, nu zijn vrienden bevreesd zijn om ter Zijner verdediging te verschijnen, heeft God hen, die vreemdelingen en vijanden waren, ten Zijnen gunste doen spreken. Toen Petrus Hem verloochende, heeft Judas Hem beleden, toen de overpriesters Hem des doods schuldig verklaarden, heeft Pilatus verklaard, dat hij geen schuld in Hem vond, toen de vrouwen, die Hem liefhadden, van verre stonden, heeft de vrouw van Pilatus, die slechts weinig van Hem wist, bezorgdheid over Hem getoond. God zal zich niet zonder getuigen laten voor de waarheid en rechtmatigheid Zijner zaak, zelfs als zij door hare vijanden op de meest boosaardige wijze in minachting wordt gebracht, en door hare vrienden op het schandelijkst wordt verlaten.
Ten tweede. Het was een trouwe waarschuwing aan Pilatus: Heb niet te doen met hem. God heeft velerlei middelen om zondaren tot staan te brengen op hun zondigen weg, en het is een grote zegen om zulke beletselen te ontvangen van de Voorzienigheid, van getrouwe vrienden en van ons eigen geweten, het is ook een dure plicht om er acht op te geven. Doe toch deze gruwelijke zaak niet, die de Heere haat, is het woord, dat wij tot ons kunnen horen zeggen als wij in verzoeking komen, zo wij er slechts acht op willen slaan. Pilatus’ echtgenote zond hem deze waarschuwing uit liefde voor hem, zij vreesde geen bestraffing van hem te ontvangen wijl zij zich bemoeide met zaken, die haar niet aangingen, want, hoe hij het ook zou opnemen, waarschuwen wilde zij hem. Het is een bewijs van ware liefde voor onze vrienden en betrekkingen om te doen wat wij kunnen om hen terug te houden van de zonde, en hoe nader zij ons staan, en hoe groter liefde wij voor hen hebben, hoe meer bezorgd wij moeten zijn, om de zonde niet tot hen te laten genaken, of op hen te laten rusten, Leviticus 19:17.
De beste vriendschap is vriendschap voor de ziel. Er wordt ons niet gezegd, hoe Pilatus deze waarschuwing afwees, wellicht met een kwinkslag, maar uit zijn wijze van doen met de Rechtvaardige blijkt, dat hij er geen acht op gaf. Aldus worden getrouwe vermaningen in de wind geslagen, als zij tot ons gericht worden als waarschuwingen tegen de zonde, maar het zal zo gemakkelijk niet zijn ze gering te achten, als zij beschouwd worden als een verzwaring van de zonde.
e. Intussen waren de overpriesters en de ouderlingen druk in de weer om het volk ten gunste van Barabbas te stemmen, vers 20. Zij hebben de scharen aangeraden, zij zelf en ook de personen, die daartoe door hen gezonden werden, dat zij zouden Barabbas begeren, en Jezus doden, voorgevende dat deze Jezus een bedrieger was, in verbond met Satan, een vijand van hun Godsdienst en tempel, en dat, zo men hem liet geworden, de Romeinen zouden komen en hun plaats en natie zouden wegnemen, dat Barabbas wel een slecht mens was, maar de invloed niet hebbende, dien Jezus had, niet zo veel kwaad kon doen als deze. Aldus wisten zij de scharen te bewerken, die anders welgezind waren voor Jezus, en indien zij niet zo onder de macht hunner priesters waren geweest, zouden zij nooit zo iets onzinnigs gedaan hebben als Barabbas te verkiezen boven Jezus. Hier kunnen wij deze goddeloze priesters niet aanzien zonder toorn en verontwaardiging. Volgens de wet moest het volk in een zaak tussen bloed en bloed zich laten leiden door de priesters, en doen naar hetgeen zij zeiden, Deuteronomium 17:8, 9. Deze grote macht, die hun in handen was gegeven, hebben zij treurig misbruikt, en zo hebben de leidslieden des volks hen doen dwalen. Maar op het misleide volk kunnen wij niet zien zonder medelijden, ik wordt door ontferming bewogen met de scharen, die aldus heftig en met geweld voortgedreven worden tot zo groot een goddeloosheid, aldus onder de macht zijn der priesters, en met hun blinde leidslieden in de gracht vallen.
f. Het volk, door de priesters aldus beheerst zijnde, doet eindelijk een keus, vers 21. Welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? vraagt Pilatus. Hij hoopte zijn doel om Jezus vrij te laten bereikt te hebben. Maar tot zijn grote verwondering zeiden zij: Barabbas, alsof zijn misdaden minder groot waren, en hij dus minder de dood had verdiend, of alsof zijn verdiensten groter waren, en hij dus meer waard was in het leven te blijven. Het geroep om Barabbas was zo algemeen en zo eenstemmig, dat er geen aanleiding bestond om de stemmen voor de twee kandidaten op te nemen. Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt! Zijn er ooit mensen geweest, die aanspraak maken op Godsdienst en gezond verstand, en zich aan een zo buitensporige dwaasheid hebben schuldig gemaakt, en zo afschuwelijk een goddeloosheid? Dit was het wat Petrus hun met zoveel recht heeft verweten, Handelingen 3:14, de Heilige en Rechtvaardige hebt gij verloochend, en hebt begeerd dat u een man, die een dood. slager was, zou geschonken worden. Maar de scharen, die de wereld tot hun deel verkiezen boven God, verkiezen evenzo naar hun eigen bedenksels en tot hun eigen verderf.
2. Hun heftig aandringen om Jezus te kruisigen, vers 22. 23. Verbaasd over hun keus van Barabbas, wilde Pilatus nog hopen, dat dit meer voortkwam uit een voorliefde voor hem, dan uit vijandschap tegen Jezus, en daarom vraagt hij hun: "Wat zal ik dan doen met Jezus? Zal ik hem ook loslaten, tot groter eer nog van uw feest, of wilt gij dat aan mij overlaten?"
Nee, zij zeiden allen: Laat hem gekruisigd worden! Die dood wilden zij, dat Hij zou sterven, omdat die beschouwd werd als de schandelijkste, en zij hoopten hierdoor, dat zijn volgelingen zich nu ook zouden schamen om Hem te belijden. Het was ongerijmd, dat zij de rechter voorschreven welk vonnis hij moest vellen, maar hun woede en kwaadaardigheid deden hen alle regelen van orde en betamelijkheid vergeten, en zo werd een gerechtshof in een luidruchtige en oproerige vergadering verkeerd. Nu was de waarheid gestruikeld op de straat en wat recht is kon er niet ingaan, en waar men wacht naar recht, zie het is verdrukking, verdrukking van de ergste soort, naar gerechtigheid, maar zie, het is geschreeuw, het ergste geschreeuw, de ontzettendste kreet, die ooit gehoord werd: Kruisig, kruisig de Heere der heerlijkheid! Hoewel zij, die dezen kreet aanhieven, wellicht niet dezelfden waren, die tevoren Hosanna riepen, ziet men hier toch, hoe groot een verandering in weinig tijds op het gemoed van het gepeupel kan worden teweeggebracht.
Toen Hij Jeruzalem binnen reed, waren de toejuiching en de lofspraak zo algemeen, dat men gedacht zou hebben, dat Hij geen vijanden had, maar nu Hij in triomf naar het rechthuis van Pilatus wordt gebracht, zijn de kreten van vijandschap en afschuw zo algemeen, dat men zou denken dat Hij geen vrienden had. Zulke omwentelingen zijn er in deze veranderlijke wereld, door welke onze weg naar de hemel loopt, gelijk onze Meester beurtelings door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht, opdat wij ons door eer niet verheffen, alsof wij, wanneer wij toegejuicht en geliefkoosd worden, ons nest tussen de sterren gesteld hadden, en in dat nest zouden sterven, en ons door oneer niet laten terneerslaan en ontmoedigen, alsof wij, wanneer wij veracht en vertreden worden, neergestoten waren in de diepste hel, van waar geen verlossing meer is.
Betreffende hun eis nu wordt ons verder gezegd
a. Hoe Pilatus daar tegen opkwam: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? Een gepaste vraag, die wij altijd stellen moeten, eer wij iemand in een gewoon gesprek laken, of berispen, maar veel meer nog past het een rechter die vraag te doen, eer hij een doodvonnis uitspreekt. Het strekt grotelijks tot eer van de Heere Jezus, dat, hoewel Hij leed als een kwaaddoener, noch Zijn rechter, noch zijn vervolgers konden vinden, dat Hij kwaad gedaan had. Heeft Hij kwaad gedaan tegen God? Nee, Hij heeft altijd gedaan wat Gode welbehaaglijk was. Heeft Hij kwaad gedaan tegen de burgerlijke overheid? Nee, gelijk Hij zelf deed, zo heeft Hij ook anderen geleerd de keizer te geven wat des keizers is. Heeft Hij kwaad gedaan tegen de openbaren vrede, tegen de orde ? Nee, Hij heeft niet getwist of geroepen, en Zijn koninkrijk is niet gekomen met uiterlijk gelaat, Heeft Hij kwaad gedaan aan personen? Wiens os heeft Hij genomen, wie heeft Hij verongelijkt? Nee. integendeel. Hij ging het land door goed doende. Deze herhaalde verklaring van Zijn vlekkeloze onschuld is een duidelijk bewijs, dat Hij stierf om te voldoen voor de zonde van anderen, want indien het niet om onze overtredingen was, dat Hij aldus werd gewond, om onze ongerechtigheden, dat Hij werd overgeleverd, en wel doordat Hij vrijwillig op zich had genomen er verzoening voor te doen, dan zie ik niet hoe dit buitengewone lijden, die ontzettende martelingen van iemand, die nooit iets verkeerds gedacht, gezegd of gedaan heeft, bestaanbaar zouden zijn met de rechtvaardigheid der voorzienigheid, die de wereld regeert, en dan ten minste toegelaten heeft, dat dit gedaan werd.
b. Hoe zij er op aandrongen. Zij riepen te meer: Laat Hem gekruisigd worden! Zij geven zich geen moeite om aan te tonen, dat Hij kwaad gedaan heeft, maar terecht, of te onrecht, Hij moet gekruisigd worden. Alle voorgeven om de vooropgezette stellingen te bewijzen latende varen, besluiten zij om bij de gevolgtrekking, die daaruit zou voortgevloeid zijn, te volharden, en wat er aan bewijzen ontbrak, te vergoeden door geschreeuw. Deze onrechtvaardige rechter werd alzo door het aanhoudend, onbeschaamd aandringen des volks er toe gebracht om een onrechtvaardig vonnis uit te spreken, gelijk die in de gelijkenis er toe gebracht werd, om een rechtvaardig oordeel te vellen, Lukas 18:4, 5, en zo werd dan de zaak enkel en alleen door geschreeuw gewonnen.
III. Het overdragen van de schuld van Christus’ bloed op het volk en de priesters.
1. Pilatus tracht die schuld van zichzelf af te schuiven, vers 24.
a. Hij ziet, dat het tot niets nut is de strijd voort te zetten. Wat hij zei zou geen goed doen, hij vorderde niet. Hij kon er hen niet van overtuigen dat het onrechtvaardig en onredelijk in hem zijn zou, om een man te veroordelen, dien hij voor onschuldig hield, en dien zij niet konden bewijzen schuldig te zijn. Zie hoe sterk de stroom soms is van woede en boze lusten, gezag noch rede vermogen dezen stroom te stuiten. Wat hij zei deed waarschijnlijk zelfs meer kwaad dan goed, hij zag veelmeer, dat er oproer werd. Het ruw en verdierlijkt gepeupel kwam tot hoge woorden, zij begonnen Pilatus te dreigen met hetgeen zij zouden doen, indien hij hun niet ter wille was, en welk een groot vuur ontstoken zou kunnen worden door deze zaak, inzonderheid als de priesters, deze grote brandstichters, de kolen aanbliezen!
Deze onstuimige, oproerige geaardheid der Joden, waardoor Pilatus zo verschrikt werd, dat hij tegen zijn overtuiging en zijn geweten Christus veroordeeld heeft, heet meer dan iets anders bijgedragen tot het verderf en de ondergang dier natie, niet lang daarna, want hun herhaalde opstanden hebben de Romeinen er toe gebracht hen te verdoen, en hun voortdurende twisten onder elkaar maakten hen tot een gemakkelijke prooi van de gemenen vijand. Aldus is hun zonde hun verderf geworden. Zie hoe gemakkelijk wij ons kunnen vergissen in de gezindheid van het volk. De priesters waren bevreesd dat hun poging om Jezus te grijpen een oproer onder het volk zou teweegbrengen, inzonderheid op de feestdag, maar het bleek, dat Pilatus’ poging om Hem te redden een oproer deed ontstaan, en dat wel op de feestdag, zo wispelturig, zo veranderlijk zijn de gevoelens van een volksmenigte.
b. Dit brengt hem in een grote moeilijkheid, hij is als in de engte gedreven tussen de vrede van zijn eigen gemoed en de rust in de stad. Hij is wars van een onschuldig man te veroordelen, en hij is er ook afkerig van om het volk te mishagen en aldus een storm te verwekken, die niet zo spoedig tot bedaren gebracht zou kunnen worden. Had hij zich rustig en vastberaden aan de heilige wetten der gerechtigheid gehouden, zoals het een rechter betaamt, hij zou zich in generlei verlegenheid hebben bevonden. De zaak was eenvoudig en onbetwistbaar, dat iemand, in wie geen schuld werd gevonden, niet gekruisigd behoorde te worden, onder welk voorwendsel dan ook, en geen onrechtvaardigheid behoort begaan te worden, om enigen mens of enig gezelschap van mensen genoegen te doen. De zaak is ook spoedig beslist. - Fiat justitia, ruat cælum - Al zouden hemel en aarde ook in botsing komen, gerechtigheid moet geschieden. Als van de goddelozen - al zijn het priesters - goddeloosheid voortkomt, mijn hand zal niet tegen hem zijn.
c. Pilatus tracht de zaak te schikken en zowel het volk als zijn eigen geweten tevreden te stellen, door haar te doen, doch als onder protest. Tot zulke ongerijmdheden en tegenspraak met zichzelf moeten zij vervallen, wier overtuiging sterk is, maar wier verdorvenheid van hart nog sterker is. Zalig is hij, zegt de apostel, Romeinen 14:22, die zichzelf niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt, of, hetgeen op hetzelfde neerkomt, die niet voor goed houdt hetgeen hij veroordeelt. Pilatus poogt zich nu van alle schuld te zuiveren door een teken. Hij nam water en wies de handen voor de schare, niet alsof hij dacht zich hierdoor van enigerlei schuld voor God te reinigen, maar om vrij te zijn tegenover het volk van enigerlei schuld in deze zaak, alsof hij gezegd had: Indien het geschiedt, gij zijt getuigen, dat het mijn doen niet is. Hij ontleende die plechtigheid aan de wet, die haar voorschreef om het land te ontheffen van de schuld als een moord gepleegd was, en de moordenaar niet ontdekt werd. Deuteronomium 21:6, 7.
En hij deed het om aan het volk zeer duidelijk te doen zien en gevoelen, dat hij van de onschuld van de gevangene overtuigd was, en waarschijnlijk was het rumoer der volksmenigte zo groot dat, zo hij hen niet met dit zichtbare teken had verrast, bij zich niet door hen zou hebben kunnen doen horen.
Door een gezegde, waarmee hij:
Ten eerste zichzelf ontschuldigt: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige. Welk een onzin! Hem te veroordelen en toch zijn onschuld te betuigen aan Zijn bloed! Als mensen tegen iets protesteren en het toch doen, dan maken zij slechts bekend, dat zij zondigen tegen hun geweten.
Hoewel Pilatus zijn onschuld betuigt, legt God toch de schuld ten zijnen laste, Handelingen 4:27. Sommigen denken zich te rechtvaardigen door te zeggen, dat hun handen niet in de zonde waren, maar David doodt door het zwaard van de kinderen Ammons, en Achab door de oudsten te Jizreël. Pilatus denkt zich te rechtvaardigen door te zeggen, dat zijn hart niet in de daad was, maar dit is een verzekering, die nooit aangenomen zal worden. Het is tevergeefs, dat hij protesteert tegen de daad, die hij terzelfder tijd ten uitvoer brengt.
Ten tweede. Hij werpt het op de priesters en het volk: gijlieden moogt toezien. Indien het gedaan moet worden, het is mijn schuld niet, gijlieden zult het voor God en de wereld hebben te verantwoorden. De zonde is een wicht, waarvan niemand vader of moeder wil zijn, en velen misleiden zichzelf hiermede, dat zij de schuld niet zullen dragen, zo zij die slechts op iemand anders kunnen werpen, maar het is niet zo gemakkelijk de schuld der zonde over te dragen als velen wel denken. De toestand van iemand, die door de pest is aangestoken, is er niet minder gevaarlijk om, dat hij met die ziekte door anderen besmet werd, of er anderen mede besmet heeft. Wij kunnen wel verzocht, maar niet gedwongen worden tot zonde. De priesters hebben de schuld op Judas geworpen: Gij moogt toezien, en nu werpt Pilatus de schuld op hen: Gijlieden moogt toezien. Want, met wat mate gij meet, zal u wedergemeten worden.
2. De priesters en het volk bewilligden er in om de schuld op zich te nemen. Al het volk zei: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen. Wij zijn er zo zeker van, dat er in zijn terdoodbrenging zonde noch gevaar voor ons is, dat wij volkomen bereid zijn ons aan de gevolgen er van bloot te stellen", alsof die schuld noch aan hen noch aan de hun enig kwaad zou veroorzaken. Zij zagen, dat het de vrees voor de schuld was, die Pilatus deed aarzelen en dat hij over die moeilijkheden heen kwam door zich in te beelden, haar op hen te kunnen overdragen. Om hem nu in dien waan te bevestigen, hebben zij er in hun woede genoegen mede genomen, veeleer dan de prooi, die zij in handen hadden, te laten ontsnappen, en zij riepen: Zijn bloed kome over ons.
a. Hiermede bedoelden zij aan Pilatus straffeloosheid te verzekeren, dat is: hem te doen denken, dat zij de schuld en de verantwoording op zich genomen hebbende, hij nu vrijuit zou gaan. Maar zij die zelf bankroet en bedelaars zijn, zullen toch nooit als borg voor anderen aangenomen worden. Niemand kan anderer zonde dragen, behalve Hij, die geen eigen zonde had te verantwoorden. Dit is een stoute onderneming, te groot voor enig schepsel, om bij de almachtigen God borg te zijn voor een zondaar.
b. Maar zij hebben werkelijk de wraak en de toorn Gods over zich ingeroepen, over zich en over hun nakomelingen. Welk een ontzettend woord was dit! Hoe weinig begrepen zij er de ontzaglijke betekenis van en welk een hel van ramp het over hen en de hun gebracht heeft. Christus had hun kort tevoren gezegd, dat over hen komen zal al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, maar alsof dat nog te weinig was, hebben zij de schuld over zich ingeroepen van dat bloed, dat kostelijker en dierbaarder was dan al het andere, en waarvan de schuld zwaarder op hen zou drukken. O, hoe verschrikkelijk is de vermetelheid der halsstarrige zondaren, die tegen God aanlopen en zijn gerechtigheid tarten, Job 15:15, 16.
Merk op: Hoe wreed zij waren bij deze verwensing. Zij roepen de straf dezer zonde in niet slechts over zichzelf, maar ook over hun kinderen, zelfs over die nog niet waren geboren, zonder dit te beperken, gelijk het aan God zelf behaagd heeft dit te beperken, tot aan het derde en vierde geslacht. Het was dolzinnigheid om dit over zichzelf te brengen, maar de grootste barbaarsheid was het, om dit ook op hun nageslacht te doen overgaan. Voorzeker, zij waren als de struisen in de woestijn, zij verhardden zich tegen hunne jongen, alsof het hun jongen niet waren. Welk een ontzettende overdracht van schuld en toorn op hen en hun erfgenamen voor eeuwig, en dit met aller instemming, als hun eigen vrijwillige daad, hetgeen voorzeker gelijk stond met een verbeurte en tenietdoening van de hun vanouds verleende handvest: Ik zal u een God zijn en uw zade na u. Die oplegging van de vloek van het bloed van de Messias op het volk heeft de erfzegen van dat bloed afgesneden van hun geslachten, overeenkomstig een andere belofte, gedaan aan Abraham, dat in hem alle de geslachten der aarde gezegend zullen worden.
Zie wat vijanden de goddelozen zijn van hun eigen kinderen, zij, die hun eigen ziel verdoemen, bekommeren er zich niet om, hoe velen zij met zich ter helle voeren. Hoe rechtvaardig God was in zijn vergelding overeenkomstig deze vervloeking. Zij zeiden: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen, en God zei daar Amen toe: zo zal uw oordeel zijn, gelijk zij de vloek hebben liefgehad, is hij over hen gekomen. Het ongelukkige overblijfsel van dit door God verlaten volk gevoelt het tot op de huidigen dag. Van de tijd, toen zij dit bloed over zich inriepen, zijn zij vervolgd door het een oordeel na het andere, totdat zij geheel en al ten ondergang werden gebracht, en tot een schrik, een spreekwoord en een spotrede geworden zijn. Maar over sommigen van hen en van de hun is dit bloed gekomen, niet om hen te veroordelen, maar om hen te behouden. Op hun bekering en geloof heeft de Goddelijke barmhartigheid deze overdracht van de vloek teniet gedaan, en toen was wederom de belofte voor hen en hun kinderen. God is beter voor ons en de onze dan wij.
Matthéüs 27:26-32🔗
In deze verzen hebben wij de toebereidselen en de inleiding tot de kruisiging van onze Heere Jezus. Hier is:
I. Het vonnis uitgesproken, en de volmacht tot volvoering er van ondertekend, en dat wel onmiddellijk, ter zelfde ure.
1. Barabbas werd losgelaten, hij, de bekende misdadiger. Indien hij niet in mededinging met Christus naar de gunst des volks was gesteld, hij zou waarschijnlijk voor zijn misdaden de dood hebben ondergaan, maar dit bleek voor hem het middel ter ontkoming om aan te duiden, dat Christus veroordeeld werd, opdat zondaren, zelfs de voornaamsten der zondaren, losgelaten zouden worden. Hij is overgeleverd, opdat wij verlost zouden worden, daar het anders de gewone weg der Goddelijke voorzienigheid is, dat de goddeloze een rantsoen is voor de rechtvaardige, Prediker 21:18, 11:18. In dit ongeëvenaard voorbeeld echter van de Goddelijke genade is de oprechte een rantsoen voor de goddelozen, de rechtvaardige voor de onrechtvaardigen.
2. Jezus werd gegeseld. Dit was een smadelijke en wrede straf, inzonderheid zoals zij bij de Romeinen in zwang was, die niet onder de matiging waren van de Joodse wet, welke geseling van meer dan veertig slagen verbood. Deze straf werd onredelijk opgelegd op iemand, die veroordeeld was te sterven, de roeden moesten de bijl niet voorafgaan, maar vervangen. Aldus is de Schrift vervuld geworden: Ploegers hebben op mijn rug geploegd, Psalm 129: 3. Ik geef mijn rug dergenen, die mij slaan, Jesaja 50:6, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Jesaja 53:5. Hij is met geselen gekastijd, opdat wij niet voor eeuwig met schorpioenen gekastijd zullen worden.
3. Hij werd toen overgeleverd om gekruisigd te worden. Hoewel zijn straf ons de vrede aanbracht, is er toch geen vrede gemaakt zonder het bloed des kruizes, Colossenzen 1:20, daarom is de geseling niet voldoende, Hij moet gekruisigd worden, een soort van terdoodbrenging, alleen in gebruik bij de Romeinen. De wijze, waarop dit geschiedde, schijnt het resultaat van vernuft en wreedheid, om dien dood in de hoogste mate afschrikwekkend en pijnlijk te doen zijn. Een kruis werd in de grond geplaatst, waaraan de handen en voeten van de veroordeelde vastgenageld werden, en op deze nagelen hing de gehele zwaarte van het lichaam, totdat het stierf van pijn.
Dit was de dood, waartoe Christus veroordeeld werd, opdat Hij mocht beantwoorden aan het type van de koperen slang, die op een stang werd opgericht. Het was een bloedige dood, een pijnlijke, smadelijke, gevloekte dood, het was een zo ellendige dood, dat barmhartige vorsten bevolen hebben, dat personen, die er door de wet toe veroordeeld werden, eerst geworgd moesten worden, en dan aan het kruis genageld. Zo heeft Julius Caesar dit voor enige zeerovers bevolen, Sueton, lib. 1. Constantijn de Grote, de eerste Christen-keizer, heeft door een edict deze soort van doodstraf onder de Romeinen afgeschaft, Sozomen, Hist. lib. 1. cap. 8, Opdat het symbool der verlossing niet dienstbaar werd gemaakt aan het verderf van het slachtoffer.
II. De barbaarse behandeling, die Hij van de soldaten onderging gedurende de toebereidselen tot zijn terdoodbrenging. Nadat Hij veroordeeld was, had men Hem enigen tijd behoren toe te staan om zich op de dood voor te bereiden. In de tijd van Tiberius had de Romeinse senaat, wellicht op een klacht wegens deze en dergelijke overhaasting, een wet uitgevaardigd, welke gebood, dat tussen de voltrekking der doodstraf aan misdadigers en het vonnis tenminste tien dagen moesten verlopen. Sueton, in Tiber. cap. 25.
Maar er werden aan onze Heere Jezus nauwelijks even zoveel minuten gegund, en zelfs gedurende deze minuten had Hij geen verademing. Het was een crisis, en er werden Hem geen heldere tussenpozen gegund, de afgrond riep tot de afgrond, en de storm bleef zonder enige tussenpoos voortwoeden.
Toen Hij overgegeven was om gekruisigd te worden, was dit genoeg. Zij, die het lichaam doden, erkennen dat er niets meer is, dat zij kunnen doen, maar Christus’ vijanden willen meer doen en, zo het mogelijk is, Hem duizend doden laten sterven. Hoewel Pilatus Hem onschuldig verklaarde, hebben zijn krijgsknechten, zijn gardes, er zich toe gezet Hem te mishandelen, daar de woede van het volk tegen Hem meer invloed op hen uitoefende dan het getuigenis huns meesters voor Hem. Het Joodse grauw stak de Romeinse soldaten aan. Of wellicht was het het niet zozeer uit haat tegen Hem als wel uit zucht om zich te vermaken, dat zij Hem aldus mishandelden. Zij begrepen dat Hij naar de kroon dong, Hem daarmee nu te bespotten verschafte hun vermaak en tijdverdrijf. Het is een bewijs van een lagen, slaafsen geest om aldus belediging en hoon aan te doen aan hen, die in het ongeluk zijn, en iemands rampen tot onderwerp van spot en vrolijkheid te maken.
Merk op:
1. Waar dit geschiedde, in het rechthuis. Het huis des stadhouders, dat een toevlucht had behoren te zijn voor de verongelijkten en mishandelden, is tot schouwplaats gemaakt voor deze barbaarsheid. Het verbaast mij, dat de stadhouder, die zo begerig was om vrij te zijn van het bloed dezes rechtvaardigen, toeliet, dat dit in zijn huis geschiedde. Wellicht heeft hij het niet bevolen, maar oogluikend toegelaten, en zij, die met gezag zijn bekleed, zijn verantwoordelijk, niet slechts voor de boosheid, die zij doen of bevelen, maar ook voor die, welke zij niet tegengaan of beletten, als zij er de macht toe hebben. Hoofden van gezinnen moeten niet toelaten, dat hun huizen plaatsen van mishandeling van iemand worden, of dat hun dienstboden zich vrolijk maken om de zonden of de ellende, of de Godsdienst van anderen.
2. Wie daarin betrokken waren. Zij vergaderden over Hem de ganse bende, de soldaten, die bij de strafvoltrekking tegenwoordig moesten zijn, wilden dat het gehele regiment (tenminste vijf honderd, sommigen denken twaalf of dertien honderd man) in die vermakelijkheid zou delen. Indien Christus aldus tot een schouwspel is gemaakt, zo laat geen Zijner volgelingen het vreemd vinden, om aldus behandeld te worden, 1 Corinthiërs 4:9, Hebreeën 10:33.
3. Welke smaadheden en mishandelingen Hem werden aangedaan.
a. Zij ontkleedden Hem, vers 28. De schande der naaktheid is met de zonde in de wereld gekomen, Genesis 3:7, en daarom is Christus, toen Hij kwam om genoegdoening te doen voor de zonde en haar weg te nemen, naakt gemaakt, en heeft Hij zich aan die schande onderworpen, opdat Hij witte klederen voor ons zou bereiden, om ons te bekleden, Openbaring 3:18.
b. Zij deden Hem een purperen mantel om, het een of ander rode gewaad, zoals de Romeinse soldaten droegen in navolging van de purperen gewaden, die koningen en keizers droegen, Hem aldus bespottende, omdat Hij koning genoemd werd. Deze nabootsing van majesteit in Zijn gewaad deden zij Hem aan, toen er op Zijn gelaat niets dan geringheid en ellende te lezen stond, alleen maar om Hem tentoon te stellen voor de toeschouwers als des te meer bespottelijk. Toch was hierin een verborgenheid, deze was het, die rood is aan Zijn gewaad, Jesaja 63:1, 2, die zijn klederen wast in de wijn, Genesis 49:11. Christus, gekleed in een purperen gewaad, duidde Zijn dragen aan van onze zonden, tot zijn schande, in Zijn eigen lichaam aan het hout, opdat wij onze klederen zouden wassen en ze wit maken in het bloed des Lams.
c. Zij vlochten een kroon van doornen en zetten die op Zijn hoofd, vers 29. Dit was om de spotternij voort te zetten van Hem tot een nagemaakten koning te maken. Maar, zo zij dit slechts als een smaad en bespotting hadden bedoeld, dan zouden zij een kroon van stro hebben kunnen vlechten, of van biezen, maar zij bedoelden er Hem nog pijn mede aan te doen, en dat voor Hem letterlijk zou zijn, wat men van kronen zegt in overdrachtelijken zin, namelijk, dat zij gevoerd zijn met doornen. Die deze mishandeling uitdacht, heeft zich zeker op het vernuftige er van laten voorstaan, maar er was een verborgenheid in. Doornen zijn met de zonde op aarde gekomen, en maakten een deel uit van de vloek, die het gevolg was van de zonde, Genesis 3:18. Daarom heeft Christus’ een vloek voor ons geworden zijnde, en stervende om de vloek van ons weg te nemen, de pijn gevoeld van deze doornen, ja, en heeft haar op zich laten binden als een kroon, Job 31:36, want Zijn lijden voor ons was zijn heerlijkheid. Nu beantwoordde Hij aan het type van Abrahams ram, die gevangen werd in de verwarde struiken, en geofferd werd in de plaats van Izaak, Genesis 22:13. Doornen betekenen beproevingen, 2 Kronieken 33:11.
Deze heeft Christus tot een kroon gemaakt, zo grotelijks heeft Hij er de eigenschap van veranderd voor hen, die de Zijnen zijn, hun reden gevende om te roemen in de verdrukking, en haar voor ons een gewicht van heerlijkheid te doen zijn. Christus is met doornen gekroond, om te tonen, dat Zijn koninkrijk niet is van deze wereld, en de heerlijkheid er van geen wereldse heerlijkheid is, maar hier vergezeld gaat van banden en verdrukkingen, terwijl de heerlijkheid er van nog geopenbaard moet worden. Het was een gewoonte onder sommige heidense volken om hun slachtoffers naar het altaar te brengen, gekroond met guirlandes, deze doornen waren de guirlandes, waarmee dit grote offer gekroond was. Deze doornen hebben zeer waarschijnlijk bloed uit Zijn gezegend hoofd doen vloeien, dat langs Zijn gelaat neerdruppelde, gelijk de kostelijke olie - een type van het bloed van Christus, waarmee Hij zich gewijd of afgezonderd heeft - op het hoofd, nederdalende op de baard, de baard van Aäron, Psalm 133:2. Aldus is, toen Hij kwam om zich zijn duive, Zijn onbevlekte kerk te ondertrouwen, Zijn hoofd vervuld met dauw, en zijn haarlokken met nachtdruppels, Hooglied 5:2.
d. Zij gaven Hem een rietstok in zijn rechterhand". Dit was bedoeld als een nabootsing van de scepter, een ander teken der koninklijke waardigheid, waarmee zij Hem bespotten, alsof zulk een scepter goed genoeg was voor zulk een koning, die als van de wind ginds en weer wordt bewogen, Hoofdstuk 11:7. Zoals de scepter is, zo is het koninkrijk, zwak en wankelend, dor en waardeloos, maar zij hebben zich volkomen vergist, want Zijn troon is eeuwiglijk en altoos, en de scepter Zijns koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid, Psalm 45:7.
e. Vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, gij koning der Joden. Hem tot een spotkoning gemaakt hebbende, doen zij Hem nu spottend hulde, aldus zijn aanspraak op de soevereiniteit belachelijk makende, zoals de broeders van Jozef: Zult gij dan ganselijk over ons heersen? Genesis 37:8. Maar evenals dezen naderhand genoodzaakt waren zich voor hem te buigen en zijn dromen te verwezenlijken, zo hebben dezen hier spottend de knieën gebogen in minachting van Hem, die spoedig daarna verhoogd werd aan de rechterhand Gods, opdat in Zijn Naam zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel. en die op de aarde en die onder de aarde zijn, of anders door Hem verbroken worden. Het is slecht spotten met hetgeen, vroeg of laat, ernst zal worden.
f. Zij spogen op Hem. Zo is Hij ook in de zaal des hogepriesters mishandeld, Hoofdstuk 26:67. Bij het doen van hulde kuste de onderdaan de soeverein ten teken van trouw, zo heeft Samuel Saul gekust, en ons wordt geboden de Zoon te kussen. Maar in hun spothulde hebben zij, in plaats van Hem te kussen, Zijn gelaat bespogen, dat gezegende aangezicht, hetwelk schitterender is dan de zon, en voor hetwelk de engelen het hun bedekken, is aldus verontreinigd geworden. Het is vreemd, dat de kinderen der mensen ooit zo iets laags gedaan hebben, en dat de Zoon van God zich ooit aan zulk een smaad heeft onderworpen.
g. Zij namen de rietstok en sloegen op Zijn hoofd. Hetgeen zij tot een spotteken Zijner koninklijke waardigheid hadden gemaakt, gebruikten zij nu als werktuig voor hun wreedheid en zijn pijn. Zij sloegen Hem waarschijnlijk op de doornenkroon, zodat zij de doornen in Zijn hoofd sloegen, opdat zij Hem des te dieper zouden wonden, hetgeen hun nog tot meer vermaak strekte, want voor hen was zijn pijn een genoegen. Aldus werd Hij veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een man van smarten, en verzocht in ziekte. Al die ellende en schande heeft Hij ondergaan, ten einde voor ons het eeuwige leven, vreugde en heerlijkheid te verwerven.
III. Zijn wegvoering naar de strafplaats. Na Hem, zolang het hun goeddocht, bespot en mishandeld te hebben, deden zij Hem de mantel af, om te kennen te geven dat zij Hem van het koninklijk gezag, waarmee zij Hem bekleed hadden, weer ontdeden, en zij deden Hem zijn klederen aan, omdat die de soldaten ten deel moesten vallen, die bij zijn terdoodbrenging dienst deden. Zij deden Hem de mantel af, maar er wordt niet gezegd, dat zij Hem ook van de doornenkroon ontdeden, waarom men algemeen veronderstelt (hoewel daar toch geen zekerheid voor is,) dat Hij met die doornenkroon op het hoofd gekruisigd werd: want, gelijk Hij priester is op Zijn troon, zo was Hij koning op Zijn kruis. Christus werd in Zijn eigen klederen heengeleid om gekruisigd te worden, omdat Hij onze zonde in Zijn eigen lichaam heeft moeten dragen op het hout.
1. En leidden Hem heen om te kruisigen. Als een lam werd Hij ter slachting geleid, als een offer naar het altaar. Wij kunnen ons voorstellen hoe zij Hem voortjoegen, Hem in aller ijl voortsleepten, opdat er niets tussenbeide zou komen om te verhinderen hun wrede woede te bevredigen door Zijn dierbaar bloed. Waarschijnlijk hebben zij Hem nu ook met hoon en smaadredenen overladen, Hem behandeld alsof Hij aller afschrapsel was. Zij leidden Hem heen buiten de stad, want Christus heeft, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden, Hebreeën 13:12, alsof Hij, die de heerlijkheid was van hen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten, niet waardig was om onder hen te leven. Hier heeft Hij zelf het oog op gehad, toen Hij in de gelijkenis sprak van Zijn buiten geworpen worden uit de wijngaard, Hoofdstuk 21:39.
2. Zij dwongen Simon van Cyrene Zijn kruis te dragen, vers 32. In het eerst schijnt Hij zelf Zijn kruis gedragen te hebben, zoals Izaak het hout van het brandoffer gedragen heeft, dat hem zelf moest verbranden. En dit, gelijk andere dingen, was bedoeld als pijn en schande voor Hem. Maar na een wijle hebben zij Hem het kruis afgenomen, hetzij:
a. Uit medelijden voor Hem. omdat zij zagen dat de last Hem te zwaar was. Wij kunnen nauwelijks denken, dat dit bij hen in aanmerking kwam, maar toch leert het ons, dat God weet wat maaksel wij zijn, en ons niet zal laten verzocht worden boven hetgeen wij vermogen. Hij geeft Zijn volk ogenblikken van verademing, maar zij moeten verwachten, dat het kruis zal terugkeren en dat de ogenblikken van verlichting hun slechts de tijd geven om zich op het volgende voor te bereiden. Maar:
b. Het was wellicht omdat Hij met het kruis op de rug niet voort kon, niet zo snel kon lopen als zij het wilden. Of:
c. Zij waren bevreesd, dat Hij zou bezwijken onder de last van Zijn kruis, onder weg zou sterven, en dat zij dus in hetgeen zij nog verder van boosaardigheid tegen Hem in de zin hadden, verhinderd zouden worden. Zo zijn de barmhartigheden der goddelozen (of hetgeen barmhartigheid lijkt) nog wreed. Hem het kruis afnemende, dwongen zij enen Simon van Cyrene het te dragen, hem tot dien dienst pressende op gezag van de stadhouder of van de priesters. Het was iets schandelijks en niemand wilde het doen zonder er toe gedwongen te zijn. Sommigen denken, dat deze Simon een discipel van Christus was, of tenminste iemand, die Hem welgezind was, dat zij dit wisten, en hem daarom die last oplegden.
Allen, die zich in waarheid discipelen van Christus willen betonen, moeten Christus volgen, Zijn kruis dragen, Hoofdstuk 16:24, zijn smaadheid dragen, Hebreeën 13:13. Wij moeten Hem kennen en de gemeenschap Zijns lijdens voor ons, en ons met lijdzaamheid onderwerpen aan al het lijden voor Hem, waartoe wij geroepen worden, want zij alleen zullen met Hem heersen, die ook met Hem lijden, met Hem zitten in Zijn koninkrijk, die drinken van Zijn drinkbeker, en met Zijn doop gedoopt worden.
Matthéüs 27:33-49🔗
Wij hebben hier de kruisiging onzes Heeren Jezus.
V. De plaats waar onze Heere Jezus ter dood werd gebracht.
1. Zij kwamen tot een plaats, genaamd Golgotha, dicht bij Jeruzalem, waarschijnlijk de gewone plaats der strafvoltrekking. Indien Hij een eigen huis in Jeruzalem had gehad, zij zouden Hem waarschijnlijk, om Hem nog meer smaadheid aan te doen, voor Zijn eigen deur gekruisigd hebben. Maar nu werd onze Heere Jezus op dezelfde plaats, waar misdadigers aan de gerechtigheid der regering werden geofferd, aan de gerechtigheid Gods ten offer gebracht. Sommigen denken, dat de naam Hoofdschedelplaats er aan gegeven was, omdat het het algemene beenderhuis was, waar de beenderen en schedels der doden bijeengebracht werden, uit de weg, opdat de mensen ze niet zouden aanraken en er zich niet aan zouden verontreinigen. Hier lagen de trofeeën van de overwinning van de dood over menigten van mensenkinderen, en toen Christus door Zijn dood de dood teniet zou doen, heeft Hij die eer toegevoegd aan zijn overwinning, dat Hij over de dood op zijn eigen grond heeft gezegevierd.
2. Dáár hebben zij Hem gekruisigd, vers 35. Dáár hebben zij zijn handen en voeten aan het kruis genageld, en het toen opgericht terwijl Hij er aan hing, want dat was de wijze van kruisigen onder de Romeinen. Laat ons hart ontroerd worden bij de gedachte aan de ontzettende pijn, die onze gezegende Heiland nu leed, en laat ons zien op Hem, die aldus doorstoken werd, en treuren. Was er ooit smart gelijk aan zijn smart? En als wij zien op de soort van dood, dien Hij gestorven is, laat ons dan daarin zien, op wat wijze Hij ons heeft liefgehad.
II. De barbaarse mishandeling, die zij Hem aandeden, waarin hun vernuft en hun boosaardigheid om de voorrang streden. Alsof de dood - zulk een ontzettende dood - nog niet genoeg was, hebben zij hun vernuft aangewend om er nog bitterheid en verschrikking aan toe te voegen:
1. Door de drank, dien zij voor Hem bereidden eer Hij aan het kruis werd genageld, vers 34. Het was de gewoonte om aan hen, die ter dood gebracht moesten worden, een beker gekruiden wijn te laten drinken, volgens het voorschrift van Salomo: Geeft sterken drank degenen, die verloren gaat, Prediker 31:6, 7, maar in de beker, waaruit zij Christus lieten drinken, hebben zij edik en gal gemengd, om hem zuur en bitter te maken. Dit betekende:
a. De zonde van de mens, die een wortel van bitterheid is, die gal en alsem draagt, Deuteronomium 29:18. De zondaar verbergt haar wellicht als iets zoets onder zijn tong, maar voor God is zij als vergiftige wijndruiven, Deuteronomium 32:32. Zo was zij voor de Heere Jezus, toen Hij onze zonden gedragen heeft, en vroeg of laat zal zij dit ook voor de zondaar zelf worden, een bitterder ding dan de dood, Prediker 7:26.
b. Het betekende de toorn Gods, die beker, dien de Vader in zijn hand heeft gegeven, een bittere beker voorwaar! gelijk het bitterwater, hetwelk de vloek meebrengt, Numeri 5:18. Deze drank hebben zij Hem aangeboden, zoals letterlijk voorzegd was, Psalm 69:22. En Hij smaakte dien, en had er dus het ergste van, Hij nam de bittere smaak in Zijn mond, geen bittere beker liet Hij van zich voorbijgaan zonder hem gesmaakt te hebben, toen Hij verzoening deed voor al ons zondig smaken van verboden vruchten. Nu smaakte Hij de dood in zijn volle bitterheid. Hij wilde dien niet drinken, omdat Hij er het beste niet van wilde hebben, Hij wilde geen verdovend of pijnstillend middel hebben, want Hij wilde zo sterven, dat Hij zich voelde sterven, omdat Hij zoveel werk te doen had als onze Hogepriester in Zijn werk van lijden.
2. Door het verdelen Zijner klederen, vers 35. Toen zij Hem aan het kruis nagelden, ontdeden zij Hem van zijn klederen, tenminste van zijn bovenklederen, want door de zonde zijn wij naakt geworden tot onze schande, en zo heeft Hij witte klederen voor ons verworven om er ons mede te bekleden. Als wij te eniger tijd om Christus’ wil van onze geriefelijkheden worden beroofd, zo laat ons dit geduldig dragen, Hij is om onzentwil ontbloot geworden. Vijanden kunnen ons van onze klederen ontdoen, maar onze beste vertroostingen, onze kostelijkste lieflijkheid kunnen zij ons niet ontnemen, van het gewaad des lofs kunnen zij ons niet beroven. De klederen van hen, die ter dood worden gebracht, zijn voor de scherprechter, vier soldaten werden gebruikt om Christus te kruisigen, en ieder hunner moest zijn deel hebben. Zijn bovenkleed zou, indien het verdeeld werd, aan niemand nut zijn, en daarom kwamen zij overeen om er het lot over te werpen. Sommigen denken, dat dit gewaad zo schoon en rijk was, dat het wel der moeite waard was om er om te strijden, maar dit strookt niet met de armoede van Christus.
Wellicht hadden zij gehoord van hen, die genezen waren door de zoom van Zijn kleed aan te raken, en dachten zij dus, dat het waarde had vanwege toverkracht, die er in verborgen zou zijn. Of zij hoopten er misschien geld voor te krijgen van zijn vrienden. Of het was wellicht om zich te vermaken en de tijd te verdrijven, terwijl zij wachtten op Zijn dood, dat zij om die klederen gingen dobbelen. Wat zij er nu echter ook mede voorhadden, het woord van God is er in vervuld geworden. In dien vermaarden psalm, van welks eerste woorden Christus gebruik heeft gemaakt aan het kruis, is gezegd: Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad, Psalm 22:19.
Dit is nooit waar geweest van David, maar ziet in de eerste en voornaamste plaats op Christus, van wie David in de geest heeft gesproken. Zo is dan de ergernis van dit deel van het kruis weggenomen, want het blijkt dat dit door de bepaalden raad en voorkennis Gods geschied is. Nu zaten zij neer en bewaakten Hem, vers 36. De overpriesters hadden er ongetwijfeld voor gezorgd, dat die wacht daar was, opdat het volk, waarvoor zij nog altijd bevreesd waren, niet zou opstaan om Hem te verlossen. Maar de Voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat zij, die aangesteld waren om Hem te bewaken, hierdoor de onwraakbare getuigen voor Hem zijn geworden, daar zij nu zagen en hoorden hetgeen hun de edele bekentenis ontwrong, vers 53 : Waarlijk, deze was Gods Zoon.
3. Door het opschrift boven Zijn hoofd, vers 37. Het was de gewoonte om ter verdediging van de openbare gerechtigheid, en tot meerdere schande van de boosdoeners, die ter dood gebracht werden, niet slechts de misdaad, waarvoor zij de straf ondergingen, voor hen uit te laten roepen, maar die ook in schrift boven hun hoofd te plaatsen. Zo hebben zij dan ook boven het hoofd van Christus zijn beschuldiging geschreven, ten einde het publiek in kennis er mede te stellen: Deze is Jezus, de koning der Joden, die koning, dien de Joden verwachtten en aan wie zij zich hadden behoren te onderwerpen, zodat zijn beschuldiging hierop neerkomt: Dat Hij de ware Messias en Zaligmaker der wereld was. Evenals Bileam, toen hij geroepen werd om Israël te vervloeken, maar hen driemaal gedurig had gezegend, Numeri 24:10, zo heeft Pilatus, in plaats van Christus te beschuldigen als een misdadiger, Hem tot koning uitgeroepen, en dat wel driemaal, in drie opschriften.
4. Door zijn metgezellen in het lijden, vers 38. Er werden tegelijk met Hem twee moordenaars gekruisigd, op dezelfde plaats en onder dezelfde bewaking, twee struikrovers, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord. Waarschijnlijk was dit de dag bestemd voor terechtstellingen, daarom hebben zij het gerechtelijk verhoor van Christus des morgens zo haastig afgedaan, opdat Hij met de andere misdadigers ter dood gebracht zou worden. Sommigen denken, dat Pilatus dit alzo bevolen heeft. opdat dit blijk van noodzakelijke gerechtigheid in de terdoodbrenging van deze moordenaars een vergoeding zou zijn voor zijn ongerechtigheid in de veroordeling van Christus. Anderen denken, dat de Joden dit bewerkt hebben, om aan het lijden van onze Heere Jezus nog meer versmaadheid toe te voegen. Hoe dit zij, de Schrift is hierin vervuld geworden, Jesaja 53:12. Hij is met de overtreders geteld geweest.
a. Het was een smaad voor Hem, dat Hij met hen gekruisigd werd. Hoewel Hij, zolang Hij leefde, afgescheiden is geweest van de zondaren, waren zij toch in hun dood niet gescheiden, heeft men Hem in de straf der snoodste misdadigers doen delen, alsof Hij ook in hun zonde gedeeld had, want Hij is zonde voor ons gemaakt, en Hij heeft de gelijkheid des zondigen vleses aangenomen. In Zijn dood is Hij met de overtreders geteld geweest, en heeft Hij Zijn deel gehad met de goddelozen, opdat wij, bij onze dood, met de heiligen mogen gerekend worden, en ons deel mogen hebben onder de uitverkorenen.
b. Het was nog een versmaadheid te meer, dat Hij in het midden, tussen hen in, gekruisigd werd, alsof Hij de ergste was van de drie, de voornaamste boosdoener, want onder drie is het midden de plaats voor de voornaamste. Alles, iedere omstandigheid, hebben zij doen medewerken om Hem te onteren, alsof de grote Zaligmaker onder alle anderen de grootste zondaar was. Het was ook bedoeld om Hem in verwarring en ontsteltenis te brengen, Hem in Zijn laatste ogenblikken te kwellen en te ontrusten door de kreten, het gekerm en de godslasteringen van deze boosdoeners, die naar alle waarschijnlijkheid een afgrijselijk geschreeuw aanhieven toen zij aan het kruis genageld werden, maar Christus wilde de ellende der zondaren wel dragen, toen Hij leed ter hunner verlossing.
Sommigen van Christus’ apostelen zijn later gekruisigd geworden, zoals Petrus en Andreas, maar geen hunner is met Hem gekruisigd, opdat het de schijn niet zou hebben, dat zij gelijkelijk met Hem deelden in zijn onderneming van genoegdoening voor de zonde der mensen en in het verkrijgen van leven en heerlijkheid. Daarom is Hij gekruisigd tussen twee boosdoeners, van wie men niet kon veronderstellen, dat zij iets bijgedragen hebben tot de verdienste van Zijn dood, want Hij heeft onze zonde gedragen in Zijn lichaam.
5. Door de lasteringen en smaadredenen, waarmee zij Hem overlaadden, toen Hij aan het kruis hing, hoewel wij niet lezen, dat zij enigerlei spot of smaad tot de moordenaars richtten, die met Hem gekruisigd waren. Men zou zo gedacht hebben, dat, toen zij Hem aan het kruis hadden genageld, zij nu hun ergst aan Hem hadden gedaan, en dat de boosaardigheid zelf nu uitgeput zou zijn. Het is waar, als een misdadiger aan de schandpaal werd gesteld, dan was het wel de gewoonte om, daar die straf minder was dan de doodstraf, hem zulke woorden van smaad toe te roepen, maar een stervende mens, al was hij dan ook een misdadiger, moet met medelijden worden behandeld. Het is wel een onverzadelijke dorst naar wraak, die door de dood, zelfs zo groten dood, nog niet bevredigd is.
Maar om de vernedering van de Heere Jezus volkomen te maken, en te tonen dat Hij, toen Hij stierf, de ongerechtigheid heeft gedragen, werd Hij toen met versmaadheid beladen, en, voor zoveel blijkt, heeft geen Zijner vrienden, die de vorigen dag Hosanna geroepen hebben, Hem enigerlei eerbied of achting durven bewijzen.
a. Die voorbijgingen lasterden Hem. Zijn ontzettende ellende en het voorbeeldig geduld, dat Hij er onder toonde, heeft hen niet vertederd: maar zij, die door hun geschreeuw Hem hiertoe hadden gebracht, denken zich nu te rechtvaardigen door hun smaadredenen, alsof zij er wèl aan gedaan hadden Hem te veroordelen. Zij lasterden Hem, en lastering was het in de striktsten zin des woords, kwaad sprekende van Hem, die het geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn. Let hier op: De personen, die Hem lasterden, die voorbijgingen, de reizigers, die over dien weg gingen, en het was een grote weg, leidende van Jeruzalem naar Gibeon. Zij waren bevooroordeeld tegen Hem door hetgeen zij van de handlangers van de hogepriester gehoord hadden. Het is zeer moeilijk, en er wordt meer vastberadenheid toe vereist dan men gewoonlijk ontmoet, om een goede mening te behouden van personen en zaken, die overal in minachting gebracht zijn. Iedereen is geneigd om te zeggen wat de meesten zeggen, en een steen te werpen op hetgeen men in een kwaad gerucht heeft gebracht. Hun gebaren van minachting jegens Hem - schuddende hun hoofden - hetgeen hun zegevieren te kennen geeft over Zijn val, en hun spotten met Hem, Jesaja 37:22, Jeremia 18:16, Klaagliederen 2:15. In gesproken woorden betekende dit. Heah! Zo hebben wij het gewenst, Psalm 35:25. Zo hebben zij Hem bespot, die de Verlosser was van hun land, gelijk de Filistijnen Simson bespot hebben, die de verderver was van hun land. Tot zelfs dit gebaar is voorzegd, Psalm 22:8. Zij schudden hun hoofd, en Psalm 109:25. De smaadredenen, die zij gebruikten.
Dezen zijn hier vermeld.
Ten eerste. Zij verweten Hem Zijn voornemen om de tempel te verwoesten. Hoewel de rechters zelf overtuigd waren, dat hetgeen Hij hieromtrent gezegd had verkeerd was voorgesteld - gelijk blijkt uit Markus 14:59 - hebben zij toch ijverig dit gerucht onder het volk rondgestrooid, ten einde de blaam op Hem te werpen, dat Hij plan had de tempel te verwoesten, en er was niets dat het volk meer in woede tegen Hem kon ontsteken dan dit. En dit was niet de enige maal, dat de vijanden van Christus zich beijverd hebben om anderen van de Godsdienst en het volk van God te doen geloven wat zij zelf wisten onwaar te zijn, en dat de beschuldiging dus onrechtvaardig was. "Gij, die de tempel afbreekt, dat grote, sterke gebouw, beproef thans uw kracht om dit kruis uit de grond te rukken, er de nagelen uit te trekken, en aldus uzelf te verlossen. Indien gij de macht hebt, waarop gij u beroemde, dan is het nu de geschikte tijd om haar tentoon te spreiden en er het bewijs van te leveren, want men veronderstelt, dat ieder wel het uiterste zal doen om zichzelf te redden." Dit was het, wat het kruis van Christus zulk een ergernis deed zijn voor de Joden. Zij beschouwden het als onbestaanbaar met de macht van de Messias, Hij was gekruist door zwakheid, 2 Corinthiërs 13:4, zo scheen het hun toe, maar in werkelijkheid is Christus gekruist de kracht Gods.
Ten tweede. Zij verweten Hem Zijn zeggen, dat Hij de Zoon van God was. Indien gij dit zijt, zeiden zij, zo kom af van het kruis. Nu nemen zij de duivel de woorden uit de mond, waarmee hij Hem in de woestijn verzocht had, Hoofdstuk 4:3, 6, en herhalen dien aanval: Indien gij de Zoon van God zijt. Zij denken, dat Hij nu of nooit bewijzen moet de Zoon van God te zijn, vergeten, dat Hij dit bewezen heeft door de wonderen, die Hij had gewrocht, inzonderheid zijn opwekking van doden, en onwillig om te wachten op het volledig bewijs er van door Zijn eigen opstanding, waarnaar Hij hen zo dikwijls verwezen had, en die, zo zij er acht op hadden geslagen, de ergernis van het kruis voor hen weggenomen zou hebben. Dit komt er van als men de dingen naar het tegenwoordig aanzien beoordeelt, zonder het verledene te gedenken, en geduldig te wachten op hetgeen nog verder staat te geschieden.
b. De overpriesters en de Schriftgeleerden - de kerkregeerders, - en de ouderlingen - de staatregeerders - bespotten Hem, vers 41. Zij achtten het niet genoeg het grauw hiertoe aan te zetten, Nee, zij moeten Christus de smaad aandoen en zichzelf het genoegen geven, om in eigen persoon Hem te bespotten. Zij behoorden in de tempel te zijn, bezig met hun Godsdienstplichten, want het was de eerste dag van het feest der ongehevelde broden, wanneer er een heilige samenroeping was, Leviticus 23:7, maar zij waren hier op de plaats der terechtstelling, hun venijn uitspuwende tegen de Heere Jezus.
Hoe ver was dit beneden de majesteit en de ernst van hun ambt en roeping! Was er iets, dat meer kon strekken om hen verachtelijk en onwaardig te maken voor het volk? Men zou gedacht hebben, dat, hoewel zij God niet vreesden en geen mens ontzagen, de gewone voorzichtigheid hun, die zozeer de hand hebben gehad in Christus’ dood, had moeten gebieden, om zich zoveel mogelijk op de achtergrond te houden, maar voor hun boosaardigheid was niets te gering of te gemeen. Hebben zij zich nu zo verkleind om Christus te kwellen, en zullen wij dan vrezen ons te verkleinen door ons te voegen bij de menigte, om Hem eer aan te doen, en niet veeleer zeggen: Indien dit gering is, dan zal ik mij nog geringer houden?
Twee dingen hebben de priesters en ouderlingen Hem verweten:
a. Dat Hij zichzelf niet kon verlossen, vers 42. Tevoren was Hij gesmaad in Zijn ambt als Profeet en Koning en thans in Zijn priesterlijk ambt als Verlosser.
Ten eerste. Zij nemen als waar en toegestemd aan, dat Hij zichzelf niet kon verlossen, en dat Hij dus de macht niet had, die Hij zich had toegeschreven, terwijl Hij in werkelijkheid zich niet wilde verlossen, omdat Hij wilde sterven om ons te verlossen. Zij hadden aldus behoren te redeneren: Hij heeft anderen verlost, dus zou Hij ook zichzelf kunnen verlossen, en zo Hij dit niet doet, moet Hij daar goede redenen voor hebben. Maar,
Ten tweede. Zij wilden te kennen geven, dat, daar Hij zichzelf niet verloste, al Zijn voorgeven van anderen te verlossen slechts bedrog en zinsbegoocheling was, en nooit werkelijk geschied is, ofschoon de waarheid Zijner wonderen onweerlegbaar was.
Ten derde. Zij verwijten Hem smalend zijn aanspraken op de Koning Israëls te zijn. Zij droomden van uitwendige praal en pracht voor de Messias, en daarom vonden zij het kruis in volstrekte tegenspraak met het koningschap over Israël, er gans onbestaanbaar mede. Er zijn velen, die wel ingenomen zouden zijn met de Koning Israëls, indien Hij slechts wilde afkomen van het kruis, indien zij Zijn koninkrijk konden hebben zonder de verdrukking door welke zij moeten heengaan om er in te komen. Maar de zaak is beslist: indien geen kruis, dan ook geen Christus, geen kroon. Zij, die met Hem willen heersen, moeten gewillig zijn om met Hem te lijden, want in deze wereld zijn Christus en Zijn kruis samenverbonden.
Ten vierde. Zij zeiden Hem af te komen van het kruis. En wat zou er van ons en van het werk onzer verlossing en zaligheid geworden zijn, indien Hij door dezen spot en hoon geprikkeld, er zich toe had laten bewegen om af te komen van het kruis, en aldus Zijn werk onvoltooid had gelaten? Wij zouden voor eeuwig verloren zijn. Maar Zijn onveranderlijke liefde en vastberadenheid stelden Hem boven, en versterkten Hem tegen, deze verzoeking, zodat Hij niet faalde en niet ontmoedigd werd, Jesaja 42:4.
Ten vijfde. Zij beloofden, dat zij, indien Hij wilde afkomen van het kruis, in Hem zouden geloven. Laat Hem hun dit bewijs geven, dat Hij de Messias is, en zij zullen Hem als zodanig erkennen. Toen zij tevoren om een teken vroegen, zei Hij hun dat het teken, dat Hij hun geven zou, niet zou bestaan in Zijn afkomen van het kruis, maar in hetgeen een veel groter blijk zou wezen van zijn macht, namelijk in Zijn opstaan uit het graf, maar zij hadden geen geduld om daar twee of drie dagen op te wachten. Indien Hij ware afgekomen van het kruis, zij zouden met evenveel reden hebben kunnen zeggen, dat de soldaten bedrog hadden gepleegd met de nagelen, als zij, toen Hij was opgestaan van de doden, gezegd hebben, dat de discipelen des nachts gekomen waren en Hem hadden gestolen. Maar als wij ons zelf beloven, dat wij zullen geloven, indien wij deze of die middelen of beweeggronden daartoe hebben, welke wij zelf uitdenken of voorschrijven, maar die God hiertoe bestemd en verordineerd heeft, niet gebruiken, dan is dit niet slechts een sterk bewijs van de bedrieglijkheid van ons hart, maar ook de domme uitvlucht van een hardnekkig, verderflijk ongeloof.
b. Dat God, Zijn Vader, Hem niet wilde verlossen, vers 43. Hij heeft op God vertrouwd, dat is: Hij gaf dit voor, want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. Zij, die God Vader noemen, en zichzelf zijn kinderen, belijden hiermede, dat zij op Hem vertrouwen, Psalm 9:11. Nu geven zij te kennen, dat Hij slechts zichzelf en anderen heeft bedrogen, toen Hij zich zozeer als de gunstgenoot des hemels heeft voorgesteld, want, indien Hij de Zoon van God ware geweest (zoals Jobs vrienden omtrent hem redeneerden) dan zou Hij niet overgelaten zijn aan al deze ellende en dit lijden, en nog veel minder zou Hij er in verlaten zijn geworden. Dit was een zwaard in zijn beenderen, zoals David van iets dergelijks klaagt in Psalm 42:11, en het was een tweesnijdend zwaard, want het was bedoeld:
Ten eerste. Om Hem te beschimpen, en de omstanders te doen denken, dat Hij een bedrieger was, alsof Zijn zeggen, dat Hij Gods Zoon was, nu duidelijk bewezen was onwaar te zijn.
Ten tweede. Om Hem te verschrikken, en Hem tot mistrouwen in en wanhoop aan Zijns Vaders macht en liefde te brengen, hetgeen Hij, naar sommigen denken, vreesde, waartegen Hij gebeden heeft, en waarvan Hij verlost werd, Hebreeën 5:7. David klaagt meer over de pogingen van zijn vervolgers om zijn geloof aan het wankelen te brengen en hem van de hoop op God te doen aflaten, dan over hun pogingen om zijn troon te doen wankelen en hem uit zijn rijk te verdrijven, alsmede over hun zeggen: Hij heeft geen heil in God, Psalm 3:3, en :God heeft hem verlaten, Psalm 71: 11.
Hierin evenals in andere dingen, was hij een type van Christus. Ja die eigen woorden vermeldt David in zijn vermaarde profetie van Christus als gesproken door zijn vijanden, Psalm 22:9, Hij heeft het op de Heere gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft. Deze priesters en Schriftgeleerden moeten voorzeker hun psalter vergeten hebben, of zij zouden niet dezelfde woorden gebruikt hebben, zo nauwkeurig overeenkomende met type en profetie, maar de Schrift moest vervuld worden.
c. Om de smaad te voltooien zijn niet slechts de moordenaars, die met Hem gekruisigd werden. Niet aldus gesmaad, alsof zij, bij Hem vergeleken, nog heiligen waren, maar hoewel zij tijdelijk met Hem leden, stemden ook zij in met zijn vervolgers, en hebben zij Hem hetzelfde verweten, dat is: een hunner deed dit, die zei: Indien gij de Christus zijt, verlos uzelf en ons, Lukas 23:39. Men zou gedacht hebben, dat van alle mensen, deze moordenaar wel het minst oorzaak had, en ook het minst lust zou hebben, om Christus te bespotten. Deelgenoten in lijden, al is het ook uit verschillende oorzaak, hebben gewoonlijk medelijden met elkaar, en weinigen slechts zullen - wat zij vroeger ook gedaan mogen hebben - hun laatste ogenblikken met spotten en smalen doorbrengen. Maar het blijkt wel, dat ook het grootste lichaamslijden en de meest verootmoedigende bestraffingen der Voorzienigheid in zichzelf, en zonder de genade Gods, niet volstaan om het bederf der ziel ten onder te brengen.
Aldus heeft dan onze Heere Jezus het op zich genomen om aan de gerechtigheid Gods, aan welker eer tekort was gedaan door de zonde, genoegdoening te geven, door te lijden in zijn eer, niet slechts door zich te ontdoen van hetgeen Hem als Zone Gods toekwam, maar ook door zich te onderwerpen aan de uiterste schande en smaad, die de snoodsten der mensen aangedaan zouden kunnen worden. Omdat Hij zonde voor ons werd gemaakt, werd Hij aldus ook voor ons tot een vloek gemaakt, ten einde voor ons de smaad licht te maken, indien wij dien te eniger tijd hebben te lijden, en als, om der gerechtigheid wil, liegende alle kwaad tegen ons wordt gesproken.
III. Het donker en dreigend aanzien des hemels, waaronder onze Heere Jezus, temidden van al dien smaad en verguizing der mensen, geleden heeft. Merk hieromtrent op:
1. Hoe dit werd aangeduid - door een buitengewone en wonderdadige zonsverduistering, welke drie uren aanhield, vers 45. Er was duisternis epi pasan tên gên - over de gehele aarde, aldus wordt het door de meeste overzetters verstaan, hoewel onze Bijbelvertalers het beperken tot dat land. Sommigen van de ouden beriepen zich op de jaarboeken des volks betreffende deze buitengewone zonsverduistering bij de dood van Christus, als op een welbekend feit, dat in die delen der wereld bekend maakte, dat er iets groots voorviel, zoals het teruggaan der zon in de tijd van Hizkia.
Het is vermeld, dat Dionysius, te Heliopolis in Egypte, deze duisternis opgemerkt heeft, en toen zei: Aut Dens naturæ patitur, aut mundi machina dissolvitur: - Of de God der natuur is lijdende, of de machine der wereld valt in duigen. Een buitengewoon licht gaf kennis van de geboorte van Christus, Hoofdstuk 2:2, en daarom was het voegzaam en gepast, dat een buitengewone duisternis kennis gaf van Zijn dood, want Hij is het Licht der wereld. De smaadheden, onze Heere Jezus aangedaan, hebben de hemelen ontzet en verschrikt, en ze zelfs in wanorde en verwarring gebracht. Zulk een snoodheid had de zon nog nooit aanschouwd, en daarom trok zij zich terug en wilde haar niet zien. Deze verrassende, verbazingwekkende duisternis was bestemd om de mond te stoppen van die Godslasteraars, die Christus lasterden, terwijl Hij aan het kruis hing, en het schijnt wel, dat er voor het ogenblik zulk een verschrikking op hen viel, dat, hoewel hun hart niet veranderd werd, zij nu toch stil zwegen, en bij zichzelf overwogen, wat hiervan de betekenis kon zijn, totdat na drie uren de duisternis ophield, en zij, evenals Farao toen de plaag voorbij was, hun hart wederom verhardden.
Maar hetgeen inzonderheid met deze duisternis aangetoond werd, was:
a. Christus’ strijd met de machten der duisternis, dien Hij toen gestreden heeft. Thans moesten de overste dezer wereld en zijn geweldhebbers, de machten der duisternis dezer eeuw, uitgeworpen, beroofd en overwonnen worden, en om zijn overwinning des te schitterender te doen zijn, heeft Hij hen bestreden op hun eigen gebied, hun al het voordeel gevende, dat zij door deze duisternis over Hem hebben konden. Hij laat hun de wind en de zon, en toch stelt Hij hen teleur, verslaat Hij hen, en wordt alzo meer dan overwinnaar.
b. Dat de hemelse vertroostingen Hem thans werden onthouden. Deze duisternis wees op de donkere wolk, die thans over de menselijke ziel van onze Heere Jezus was gekomen. God doet zijn zon schijnen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, maar onze Zaligmaker werd toen Hij zonde voor ons werd gemaakt, zelfs het licht der zon onthouden. Het is de ogen goed de zon te aanschouwen, omdat zijn ziel toen echter geheel bedroefd was, en de beker des Goddelijke toorns onvermengd voor Hem gevuld was, werd zelfs het schijnen der zon geschorst. Toen de aarde Hem een droppel koud waters weigerde, heeft de hemel Hem een lichtstraal geweigerd, ons moetende verlossen van de buitenste duisternis, heeft Hij zelf in de diepte van Zijn lijden in duisternis gewandeld en geen licht gehad, Jesaja 50:10. Wij bevinden niet, dat Hij gedurende deze drie uren van duisternis, een enkel woord gezegd heeft. Die tijd heeft Hij doorgebracht in een stil zich terugtrekken in Zijn eigen ziel, die nu in doodsstrijd was, worstelende met de machten der duisternis en de indruk in zich opnemende van Zijns Vaders ongenoegen, niet tegen zichzelf, maar tegen de zonde van de mens, waarvoor Hij thans zijn ziel tot een schuldoffer stelde. Nooit zijn er sedert de dag, toen God de mens op aarde schiep, zulke drie uren geweest, nooit was er zulk een somber en ontzettend toneel aanschouwd, het was de crisis van de grote zaak van der mensen verlossing en zaliging.
2. Zijn klacht hierover, vers 46. Omtrent de negende ure, toen het weer licht begon te worden, riep Jezus na een lange, stillen strijd, ELI, ELI, LAMA SABACHTANI? De woorden zijn meegedeeld in het Syrisch, waarin zij werden gesproken, wijl dit dubbel merkwaardig was, en ook vanwege de verdraaide uitlegging, die zijn vijanden er aan gaven, door Elia voor Eli te nemen. Merk hier nu op
A. Waaraan Hij die klacht ontleende - aan Psalm 22:2. Het is niet waarschijnlijk, dat Hij - gelijk sommigen denken - de gehele Psalm uitgesproken heeft, maar wèl heeft Hij hiermede te kennen gegeven, dat de gehele Psalm op Hem toegepast moet worden, en dat David, in de geest, hier van zijn vernedering en zijn verhoging heeft gesproken. Dit, en het andere woord: In uw handen beveel ik mijn geest, heeft Hij aan Davids psalmen ontleend (hoewel Hij zich wel in Zijn eigen woorden had kunnen uitdrukken), om ons te leren van welk nut het woord Gods voor ons is, om ons te leiden en te besturen in het gebed en ons het gebruik van Schriftuurlijke uitdrukkingen aan te bevelen in het gebed, hetgeen onze zwakheden te hulp kan komen.
B. Hoe Hij die woorden uitsprak - met een grote stem, hetgeen zeer grote benauwdheid en heftige pijn aanduidt, terwijl toch nog de natuurlijke kracht in Hem aanwezig was, alsmede de grote vurigheid van geest in dezen uitroep. Nu is de Schrift vervuld geworden, Joël 3:15, 16, De zon en de maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haren glans ingetrokken. En de Heere zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem zijn stem geven. David spreekt dikwijls van zijn luid roepen in het gebed. Psalm 55:17, 18.
C. Waarin de klacht bestond - Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? Een vreemde klacht in de mond van onze Heere Jezus, die - hiervan zijn wij zeker - Gods uitverkorene was, in wie zijn ziel een welbehagen had, Jesaja 42:1, en in wie Hij altijd een welbehagen heeft gehad. De Vader had Hem thans lief: ja, Hij wist, dat daarom de Vader Hem liefhad, overmits Hij Zijn leven aflegde voor de schapen. Maar hoe! dan toch door Hem verlaten, en dat wel temidden van Zijn lijden! Voorwaar, nooit was er een smart gelijk aan die smart, die zulk een klacht afperste aan de lippen van enen, die, volkomen vrij zijnde van zonde, nooit een verschrikking kon wezen voor zichzelf, maar het hart kent zijn eigen bittere droefheid. Geen wonder, dat een klacht als deze de aarde deed beven en de rotsen deed scheuren, want het is genoeg, om aan al wie het horen zal, de beide oren te doen klinken, en er behoort met de diepsten eerbied van te worden gesproken.
Merk op:
a. Dat onze Heere Jezus in Zijn lijden voor een tijd verlaten is geweest door Zijn Vader. Dit zegt Hij zelf, die, hiervan zijn wij zeker, zich omtrent Zijn eigen zaak niet kon vergissen. Niet alsof de eenheid tussen Zijn Goddelijke en Zijn menselijke natuur ook maar in het minst verzwakt of geschokt was. Nee, Hij heeft toen door de eeuwigen Geest zichzelf geofferd, en ook evenmin alsof er een afneming was in des Vaders liefde voor Hem, of van zijn liefde voor de Vader, wij zijn er zeker van, dat er in Zijn gemoed geen verschrikking was voor God, geen wanhopen aan zijn gunst, niets van de kwelling of pijniging der hel, maar Zijn Vader verliet Hem, dat is:
Ten eerste. Hij gaf Hem over in de handen Zijner vijanden, en Hij verscheen niet om Hem uit hun handen te verlossen. Hij liet de machten der duisternis tegen Hem los, en liet hun toe hun ergst tegen Hem te doen, erger dan tegen Job Nu is de Schrift vervuld geworden, Job 16:11. God heeft mij de verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen, en geen engel is van de hemel gezonden om Hem te verlossen, geen vriend op aarde verwekt om voor Hem in de bres te staan.
Ten tweede. Hij onttrok Hem het troostrijke gevoel van Zijn welbehagen in Hem. Toen voor het eerst zijn ziel ontroerd was, kwam een stem uit de hemel om Hem te vertroosten, Johannes 12:27, 28. Toen Hij in doodsbenauwdheid was in de hof, verscheen Hem een engel uit de hemel om Hem te versterken, maar nu had Hij noch een stem om Hem te vertroosten, noch een engel om Hem te versterken. God verborg Zijn aangezicht voor Hem, en voor een wijle onttrok Hij Hem Zijn stok en staf in de duistere vallei, God verliet Hem, niet zoals Hij Saul verliet, Hem overlatende aan een eindeloze vertwijfeling, maar zoals Hij somwijlen David verliet, Hem overlatende aan een ogenblikkelijke, voorbijgaande moedeloosheid.
Ten derde. Hij liet een smartelijke bewustheid in zijn ziel komen van Zijn toorn tegen de mens om de zonde. Christus is zonde voor ons gemaakt, een vloek voor ons gemaakt, en daarom heeft God, hoewel Hem liefhebbende als Zoon, Hem toornig aangezien als Borg. Het behaagde Hem deze indrukken in zich toe te laten, en af te zien van het weerstaan er van, dat Hij gekund zou hebben, omdat Hij zich wilde voegen naar dit deel van zijn onderneming, zoals Hij zich naar al het overige gevoegd had, toen het in zijn macht was het te vermijden.
b. Dat Christus’ verlaten zijn door Zijn Vader het smartelijkste was van al Zijn lijden, en hetgeen, waarover Hij het meest heeft geklaagd. Dat ontlokte Hem de treurigste tonen. Hij zei niet: Waarom wordt Ik gegeseld? en bespogen? en aan het kruis genageld? Ook heeft Hij tot de discipelen niet gezegd, toen zij Hem de rug toekeerden: Waarom hebt gij Mij verlaten? Maar toen Zijn Vader zich verre hield, heeft Hij dien kreet geslaakt, want dit was het dat gal en alsem in Zijn lijdensbeker heeft gemengd, dit was het, dat de wateren tot aan de ziel deed komen, Psalm 69:2, 3.
c. Dat onze Heere Jezus, zelfs toen Hij aldus door Zijn Vader werd verlaten, zich toch aan Hem vasthield als aan Zijn God, Mijn God, Mijn God, hoewel Gij Mij verlaat, toch de Mijne. Christus was Gods dienstknecht in het volbrengen van het werk der verlossing, Hem moest Hij genoegdoening geven, en door Hem moest Hij geholpen en gekroond worden, en deswege noemt Hij Hem Zijn God, want thans was Hij bezig Zijn wil te doen, Jesaja 49:5-9. Dit ondersteunde en schraagde Hem, dat zelfs in de diepte van Zijn lijden God Zijn God was. Zie hoe zijn vijanden goddelooslijk de spot dreven met deze klacht, vers 47. Zij zeiden: Deze roept Elias. Sommigen denken, dat dit een vergissing der onwetendheid was van de Romeinse soldaten, die wel eens over Elias hadden horen spreken en dat de Joden de komst van Elias verwachtten, maar de betekenis niet kenden van Eli Eli, en alzo die domme uitlegging aan deze woorden van Christus gegeven hebben, en wellicht ook het laatste gedeelte van hetgeen Hij zei niet gehoord hebben van wege het geraas dat het volk maakte.
Vele smaadredenen tegen het woord van God ontstaan uit grove vergissingen. Goddelijke waarheden worden dikwijls verdraaid en verdorven door onwetendheid, door onbekendheid met de taal en de stijl der Schrift. Zij, die maar half horen, verwringen wat zij horen. Maar anderen denken, dat het de moedwillige vergissing was van sommigen der Joden, die zeer goed wisten wat Hij zei, maar gezind en geneigd waren om Hem te bespotten, en zich en hun gezellen over Hem vrolijk te maken, Hem voor te stellen als iemand die, van God verlaten zijnde, nu op schepselen gaat vertrouwen, wellicht ook te kennen gevende, dat Hij, die voorgaf zelf de Messias te zijn, zich nu zou verheugen om Elias te zien, die slechts als voorloper van de Messias verwacht werd. Het is niets nieuws dat de Godsvruchtigste uitlatingen van de beste mensen door onheilige spotters belachelijk worden gemaakt, en wij moeten het ook niet vreemd vinden, als hetgeen wèl en juist gezegd is in gebed en prediking verkeerd wordt uitgelegd, en dan gebruikt wordt om ons te smaden. Dat is met Christus’ woorden geschied, hoewel nooit enig mens gesproken heeft zoals Hij sprak.
IV. De koude vertroosting, die zijn vijanden Hem toedienden in zijn stervensuur, en die gelijk al het overige was.
1. Sommigen gaven Hem edik te drinken, vers 48, in plaats van een hartsterkenden dronk om Hem te versterken en te verkwikken onder Zijn zwaar lijden, tergden zij Hem met hetgeen niet slechts nog toedeed aan de smaad, waarmee zij Hem overlaadden, maar slechts al te duidelijk dien beker der zwijmeling voorstelde, dien de Vader in zijn hand had gegeven. Een van hen liep toe om hem te halen, dienstvaardig voor Hem schijnende, maar in werkelijkheid blijde met een gelegenheid om Hem te smaden en te beledigen, en bevreesd, dat iemand anders hem dit uit de handen zou nemen.
2. Met hetzelfde doel van Hem te verbijsteren en te honen, verwijzen zij Hem naar Elias, vers 49, "Houd op, laat ons zien, of Elias komt, om hem te verlossen. Kom, laat hem, er is niets in hemel of op aarde, dat hem kan helpen, laat ons niets doen, hetzij om zijn dood te verhaasten of te vertragen, heeft hij zich op Elias beroepen, laat hem dan naar Elias gaan."
Matthéüs 27:50-56🔗
Eindelijk hebben wij hier het bericht van Christus’ dood, en van verschillende merkwaardige voorvallen, die er mede vergezeld gingen.
I. De wijze, waarop Hij de laatsten adem uitblies, vers 50, tussen de derde en de zesde ure, dat is: tussen negen en twaalf uur, naar onze wijze van dagindeling, was Hij aan het kruis genageld, en spoedig na de negende ure, dat is: tussen drie en vier uur in de namiddag, stierf Hij. Dat was de tijd van het avondoffer, en de tijd wanneer het paaslam geslacht werd, en Christus, ons Pascha, voor ons geofferd werd. In de avond der wereld heeft Hij zich Gode geofferd als een slachtoffer en een lieflijken reuk. Het was op dat tijdstip van de dag, dat de engel Gabriël de heerlijke voorzegging van de Messias aan Daniël gebracht heeft, Daniël 9, 21:24, enz. En sommigen denken, dat van de tijd, dat de engel dit gesproken heeft, tot op de tijd, dat Christus stierf, juist zeventig weken waren verlopen, dat is: op de dag af, juist vier honderd en negentig jaren, evenals het vertrek van Israël uit Egypte juist aan het einde van de vier honderd en dertig jaren heeft plaats gehad, Exodus 12:41.
Er worden hier twee dingen opgemerkt betreffende de wijze, waarop Christus is gestorven.
1. Dat Hij riep met een grote stem, evenals tevoren, vers 46.
a. Dit nu was een teken, dat na al zijn vermoeienis en pijn Zijn leven nog gezond in Hem was, en de natuur sterk. Het eerste, wat aan stervende mensen faalt, is de stem. Met hijgenden adem en stamelende tong kunnen nauwelijks enige afgebroken woorden gesproken worden, die slechts met moeite worden gehoord. Maar even voordat Christus de geest gaf, sprak Hij als een man in zijn volle kracht, om te tonen dat het leven Hem niet afgedwongen werd, maar vrijwillig door Hem werd overgegeven in de handen Zijns Vaders, als Zijn eigen daad. Hij, die de kracht had om aldus te roepen toen Hij stierf, zou zich van zijn banden hebben kunnen ontdoen en de machten des doods hebben kunnen tarten, maar om te tonen, dat Hij door de eeuwigen Geest zichzelf geofferd heeft, daar Hij de priester was, zowel als het offer, riep Hij met een grote stem.
b. Het was veelbetekenend. Deze grote stem toont, dat Hij met onversaagden moed onze geestelijke vijanden aanviel, en met zulk een kloekmoedige vastberadenheid, dat Hij van ganser harte in de zaak is, stoutmoedig is in de strijd. Het was toen, dat Hij de overheden en machten heeft uitgetogen, en met deze grote stem riep Hij als het ware om de overwinning, als een, die machtig is te verlossen. Jesaja 63:1. Vergelijk hiermede Jesaja 42:13, 14, Nu boog Hij zich met al zijn kracht, zoals Simson, toen hij zei: mijn ziel sterve met de Filistijnen, Richteren 16:30. Zijn roepen met een grote stem, toen Hij stierf, betekent dat Zijn dood in de gehele wereld bekend gemaakt moest worden, daar de gehele mensheid er belang bij had, en er kennis van behoorde te nemen. Christus’ grote stem was als het bazuingeschal bij de offers.
2. Dat Hij toen de geest gaf. Dit is de gewone omschrijving van sterven, om te tonen, dat de Zoon van God aan het kruis wezenlijk en waarlijk gestorven is door de heftigheid der pijnen. die Hij leed. Zijn ziel werd gescheiden van Zijn lichaam, en zo bleef Zijn lichaam toen dus waarlijk en wezenlijk dood. Het was zeker, dat Hij gestorven is, want het was nodig, dat Hij sterven zou, aldus was er geschreven, zowel in de gesloten rol des boeks der Goddelijke raadsbesluiten, als in de open brieven der Goddelijke voorzeggingen, en daarom betaamde het Hem aldus te lijden. De dood, de straf zijnde voor het verbreken van het eerste verbond (Gij zult gewis sterven), moest de Middelaar van het nieuwe verbond verzoening doen door de dood, want anders is er geen vergeving der zonde. Hij had op zich genomen om zijn ziel te stellen tot een offer voor de zonde, en Hij heeft het gedaan, toen Hij de geest gaf en Zijn leven vrijwillig heeft afgelegd.
II. De wonderen, die Zijn dood vergezelden. Er zijn zoveel wonderen door Hem gewrocht in Zijn leven, dat wij wel kunnen verwachten, dat er wonderen zullen geschieden bij Zijn dood, want Zijn Naam werd genoemd Wonderlijk. Indien Hij, gelijk Elia, weggenomen ware geworden in een vurigen wagen, dan zou dat op zichzelf reeds wonder genoeg zijn geweest, maar weggenomen zijnde door een schandelijk kruis, was het nodig, dat zijn vernedering gepaard zou gaan met zeer opmerkelijke uitvloeiselen van de Goddelijke heerlijkheid.
1. En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën. Dit bericht wordt ingeleid met een: Ziet. Wendt u daarheen, en beziet dat grote gezicht, en zijt verbaasd. Op het ogenblik toen onze Heere Jezus stierf, op de tijd wanneer het avondoffer gebracht moest worden, en op een plechtigen vierdag, toen de priesters dienst deden in de tempel, en er dus zelf ooggetuigen van konden zijn, werd het voorhangsel van de tempel gescheurd door een onzichtbare macht, dat voorhangsel dat het heilige scheidde van het heilige der heiligen. Zij hadden Hem veroordeeld wegens het zeggen: Ik zal dezen tempel afbreken, dit opvattende in letterlijken zin, laat hen dan nu door dit blijk Zijner macht weten, dat Hij, zo het Hem had behaagd, naar Zijn woord had kunnen doen.
In dit, evenals in andere van Christus’ wonderen, was een verborgenheid.
a. Het was in overeenstemming met de tempel van Christus’ lichaam, dat nu gesloopt werd. Dit was de ware tempel, waarin de volheid der Godheid woonde. Toen Christus riep met een grote stem en de geest gaf, en alzo dien tempel ontbond, heeft de tempel van hout en steen, als het ware, een weerklank gegeven op dat roepen, en de slag beantwoord door zijn voorhangsel te scheuren. De dood is het scheuren van het voorhangsel des vleses, dat tussen ons en het heilige der heiligen is, dat is de dood van Christus geweest, en dat is ook de dood van ware Christenen.
b. Het betekende de openbaring en blootlegging van de verborgenheden van het Oude Testament. De voorhang van de tempel diende tot verberging, evenals het deksel op het aangezicht van Mozes, daarom werd hij de voorhang des deksels genoemd: want het was hoogst strafbaar voor een iegelijk, behalve de hogepriester, om de voorwerpen te zien, die in het heilige der heiligen waren, en zelfs deze mocht dit slechts eenmaal in het jaar, en dan in grote plechtigheid en omgeven door een wolk van rook, hetgeen alles het duistere betekende van die bedeling. 2 Corinthiërs 3:13. Maar nu, bij de dood van Christus werd dit alles blootgelegd, de verborgenheden werden ontsluierd, zodat de betekenis er van thans voor een iegelijk zeer duidelijk is geworden. Nu zien wij dat het verzoendeksel Christus, de grote Verzoening betekende, dat de kruik met manna betekende Christus, het Brood des levens. Aldus aanschouwen wij allen met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel (die een hulp is voor het zien, gelijk de voorhang een beletsel was voor het zien). Onze ogen zien de zaligheid.
c. Het betekende de vereniging van Jood en heiden door de wegneming van de middelmuur des afscheidsels, die er tussen hen was, welke bestond in de ceremoniële wet, waardoor de Joden onderscheiden werden van alle andere volken (als een besloten hof) en nabij God gebracht werden, terwijl de anderen op een afstand werden gehouden. In Zijn dood heeft Christus de ceremoniële wet opgeheven, het handschrift dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, uitgewist. Hij nam het uit de weg, nagelde het aan Zijn kruis, en verbrak alzo de middelmuur des afscheidsels, en door deze inzettingen teniet te doen, heeft Hij de vijandschap teniet gedaan, en de twee in zichzelf tot een nieuwen mens geschapen (zoals twee kamers tot een ruim en luchtig vertrek worden gemaakt door een scheidingsmuur weg te breken) vrede makende, Efeziërs 2:14-16. Christus stierf om alle scheiding-makende voorhangsels te scheuren, en al de Zijnen tot een te maken. Johannes 17:21.
d. Het betekende de inwijding en blootlegging van een versen en levenden weg tot God. Het voorhangsel hield het volk terug van te naderen tot het heilige der heiligen, waar de Shechina was.
Maar het scheuren er van betekende, dat Christus door Zijn dood een weg geopend heeft tot God.
A. Voor Zichzelf. Dit was de dag der grote verzoening, toen onze Heere Jezus, als de grote Hogepriester, niet door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed eenmaal ingegaan is in het heiligdom, ten teken waarvan het voorhangsel gescheurd werd, Hebreeën 9:7 enz. Zijn offer in het buitenste voorhof gebracht hebbende, werd het bloed er van thans op het verzoendeksel gesprengd binnen de voorhang. Daarom: Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, want de Koning der eer, de Priester der eer, zal ingaan. Nu heeft God Hem doen naderen, tot zich doen genaken, Jeremia 30:21. Hoewel Hij niet dan veertig dagen daarna persoonlijk opgevaren is tot de heilige plaats, niet met handen gemaakt, heeft Hij toch onmiddellijk het recht verkregen om in te gaan.
B. In Hem voor ons, zo wordt het door de apostel verklaard en toegepast, Hebreeën 10:19, 20. Wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel. Hij stierf, opdat Hij ons tot God zou brengen, en te dien einde het voorhangsel van schuld en toorn te scheuren, dat tussen ons en Hem was, de cherubs en het vlammend zwaard weg te nemen, en de weg te openen naar de boom des levens. Door Christus hebben wij thans vrijen toegang tot de troon der genade, en hiernamaals tot de troon der heerlijkheid, Hebreeën 4:16, 6:20.
Het scheuren van het voorhangsel betekende (gelijk het in een aloud kerklied zo uitnemend is uitgedrukt) dat: Toen Christus aan het kruis de dood Zijn macht had ontnomen, Hij voor ons de weg heeft gebaand om weer tot God te komen. Niets kan onze toegang tot de hemel belemmeren, want het voorhangsel is gescheurd, er is een deur geopend in de hemel. Openbaring 4:1.
2. De aarde beefde, niet slechts de berg Calvarië, waar Christus was gekruisigd, maar het gehele land en de omliggende landen. Deze aardbeving betekende twee dingen.
a. De ontzettende goddeloosheid van hen, die Christus gekruisigd hebben. Door te sidderen onder zulk een last heeft de aarde getuigenis afgelegd van de onschuld van Hem, die vervolgd werd, en tegen de goddeloosheid van hen, die Hem vervolgden. Nooit tevoren heeft de ganse schepping gezucht onder zulk een last als de gekruisigde Zoon van God en de schuldige ongelukkigen, die Hem gekruisigd hebben. De aarde beefde, alsof zij vreesde haren mond open te doen om het bloed van Christus te ontvangen, dat zoveel kostelijker en dierbaarder is dan het bloed van Abel, hetwelk zij ontvangen had, en er om gevloekt werd, Genesis 4:11, 12, en alsof zij gaarne haren mond zou opendoen om de rebellen te verzwelgen, die Hem ter dood hebben gebracht, zoals zij Dathan en Abiram verslonden heeft voor een veel kleinere misdaad. Als de profeet het grote misnoegen Gods wilde uitdrukken tegen de goddeloosheid der goddelozen, dan vraagt hij: Zou het land hierover niet beven? Amos 8:8.
b. De glorierijke uitwerkselen van het kruis van Christus. Deze aardbeving betekende de ontzaglijke schok, ja de noodlottige slag, die aan het rijk des duivels werd toegebracht. Zo krachtig was de aanval, dien Christus thans op de helse machten heeft gericht, dat - evenals vanouds, toen Hij voorstoot van Seïr en daarhenen trad van de velden van Edom - de aarde beefde, Richteren 5:4, Psalm 68:8, 9. God schudt alle natiën, als de wens aller natiën is gekomen, en er is een "Nog eens", dat wellicht op deze schudding ziet, Haggai 2:7, 22.
3. De steenrotsen scheurden. Het hardste en meest vaste gedeelte van de aarde heeft deze machtige schok gevoeld. Christus had gezegd dat, zo de kinderen ophielden van Hosanna te roepen, de stenen roepen zouden, en nu hebben zij dit ook werkelijk gedaan, de heerlijkheid uitroepende van de lijdenden Jezus, en zelf gevoeliger voor het onrecht, dat Hem aangedaan was, dan de verharde Joden geweest zijn, die weldra nog blijde zullen zijn om een kloof in de steenrotsen te vinden om er zich in te verbergen voor het aangezicht degene, die op de troon zit, Openbaring 6:16, Jesaja 2:21. Maar als Gods gramschap uitgestort is als vuur, dan worden de rotsstenen van Hem vermorzeld, Nahum 1:6. Jezus Christus is de Rotssteen, en het scheuren van deze rotsstenen, betekende het scheuren van die Rotssteen.
a. Opdat wij in de spleten er van ons mogen verbergen, zoals Mozes in de kloof der steenrots van Horeb, en er evenals hij de heerlijkheid des Heeren mogen zien, Exodus 33:22. Van Christus’ duive wordt gezegd, dat zij verborgen is in de kloven der steenrotsen, Hooglied 2:14, dat is, gelijk sommigen de toespeling maken, verborgen en beschut in de wonden van onze Heere Jezus, de gescheurden Rotssteen.
b. Opdat uit die kloven stromen van levend water zullen vloeien en ons zullen volgen in deze woestijn, zoals die welke uit de rotssteen vloeide, dien Mozes sloeg, Exodus 17:6, en dien God kliefde, Psalm 78:15, en die steenrots was Christus, 1 Corinthiërs 10:4. Als wij de gedachtenis vieren van Christus’ dood, dan moeten onze harde, rotsachtige harten gescheurd worden - het hart, en niet de klederen. Dat hart is harder dan een rotssteen, dat zich niet wil overgeven, dat niet smelt en vertederd wordt, als Jezus Christus voor de ogen geschilderd wordt, gekruist zijnde.
4. De graven werden geopend. Deze zaak wordt niet zo uitvoerig en in bijzonderheden verhaald als onze nieuwsgierigheid wel zou wensen, want de Schrift is niet bestemd om hieraan te voldoen. Het schijnt dat de aardbeving, die de rotsen scheurde, de graven geopend heeft, en dat vele lichamen van heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt. Voor de heiligen is de dood slechts de slaap van het lichaam, en het graf is het bed, waarop het slaapt. Zij ontwaakten door de kracht van de Heere Jezus, en, vers 53, zijn uit de graven uitgegaan, na zijn opstanding, en kwamen in de heilige stad, en zijn velen verschenen. Hier nu:
A. Kunnen wij hieromtrent veel vragen doen, waarop geen antwoord gegeven kan worden, zoals: Wie deze heiligen waren, die opgewekt werden. Sommigen denken de oude aartsvaders, die met zoveel zorg in het land Kanaän begraven waren, wellicht in het gelovig vooruitzicht van het voorrecht dezer vroegtijdige opstanding. Christus had onlangs de leerstelling der opstanding bewezen uit het voorbeeld der aartsvaders, Hoofdstuk 22:32, en hier was nu een spoedige bevestiging er van.
Anderen denken, dat het latere heiligen waren, de zodanige, die Christus in het vlees hadden aanschouwd, maar voor Hem gestorven waren, zoals Zijn vader Jozef, Zacharias, Simeon, Johannes de Doper, en anderen, die bij hun leven aan de discipelen bekend waren, en dus des te bevoegder getuigen waren bij hen, aan wie zij verschenen. Zouden wij ook niet kunnen aannemen, dat het de martelaars waren, die in Oud-Testamentische tijden de waarheid Gods met hun bloed hadden bezegeld, en die nu aldus onderscheiden en verwaardigd werden? Christus wijst inzonderheid hen aan als zijn voorlopers, Hoofdstuk 22:35. En wij bevinden, Openbaring 20:4, 5, dat zij, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus voor de overige doden zijn opgestaan. Die met Christus geleden hebben, zullen het eerst met Hem heersen. Het is onzeker of zij - gelijk sommigen denken - nu, bij de dood van Christus, opgestaan zijn ten leven en elders hebben vertoefd, maar na zijn opstanding in de stad zijn gegaan, of wel, dat zij - gelijk anderen denken - door de aardbeving uit hun graven geworpen zijn, maar niet herleefd en opgestaan zijn dan na de opstanding van Christus, en dat dit kortheidshalve hier vermeld is met de opening der graven, hetgeen ons het waarschijnlijkst voorkomt.
Sommigen denken, dat zij slechts opgestaan zijn, om van Christus’ opstanding te getuigen bij hen, aan wie zij verschenen zijn, en hun getuigenis afgelegd hebbende, weer naar hun graven zijn teruggekeerd. Maar het is meer overeenkomstig de eer van Christus en de hun om te veronderstellen, hoewel wij het niet kunnen bewijzen, dat zij, evenals Christus, opgewekt zijn van de doden om niet meer te sterven, en daarom met Hem opgevaren zijn in de heerlijkheid. Over hen, die gedeeld hebben in Zijn eerste opstanding, heeft een tweede dood voorzeker geen macht gehad. Aan wie zij verschenen - niet aan het gehele volk, dit is zeker, maar aan velen - hetzij vijanden of vrienden. Op wat wijze zij verschenen, hoe dikwijls, wat zij gezegd en gedaan hebben, en hoe zij weer verdwenen, dat zijn verborgen dingen, die niet onzer zijn, wij moeten niet begeren wijs te zijn boven hetgeen geschreven is. Dat die zaak zo in het kort verhaald wordt, is een duidelijke wenk voor ons, om ter bevestiging van ons geloof onze blik niet daarheen te richten. Wij hebben daarvoor het profetische woord, dat zeer vast is. Zie Lukas 16:31.
B. Doch wij kunnen er veel goede lessen aan ontlenen.
a. Dat zelfs zij, die geleefd hebben en gestorven zijn voor de dood en de opstanding van Christus er de vruchten van genoten hebben, even goed als zij, die daarna geleefd hebben, want Hij is gisteren dezelfde geweest als heden, en zal dit zijn tot in eeuwigheid, Hebreeën 13:8.
b. Dat Jezus Christus door te sterven de dood overwonnen, ontwapend en machteloos heeft gemaakt. Deze heiligen, die toen opstonden uit hun graf, waren de dadelijke overwinningstekenen van Christus’ kruis over de machten des doods, die Hij in het openbaar tentoon heeft gesteld. Door de dood teniet gedaan hebbende degenen, die het geweld des doods had, heeft Hij aldus de gevangenis gevangen genomen, en gejuicht in de vervulling der Schrift: Ik zal ze van het geweld der hel (of van het graf) verlossen.
c. Dat, in de volheid des tijds, uit kracht van Christus’ opstanding de lichamen van al de heiligen uit het graf zullen verrijzen. Dit was een onderpand van de algemene opstanding ten laatsten dage, wanneer allen, die in de graven zijn, de stem van de Zoon van God zullen horen. En wellicht is Jeruzalem daarom hier de heilige stad genoemd, omdat de heiligen bij de algemene opstanding het nieuwe Jeruzalem zullen binnengaan, hetwelk inderdaad en in waarheid zal zijn wat het andere slechts in naam en als type was, namelijk de heilige stad, Openbaring 21:2.
d. Dat alle heiligen door de invloed van Christus’ dood, en in overeenkomst er mede, opstaan van de dood der zonde tot het leven der gerechtigheid. Zij zijn met Hem opgewekt tot een Goddelijk en geestelijk leven, zij gaan in de heilige stad, worden er burgers van, hebben er hun wandel en verschijnen aan velen als personen, die niet van deze wereld zijn.
III. De overtuiging van zijn vijanden, die gebruikt werden voor zijn terdoodbrenging, vers 54, welke overtuiging volgens sommigen aan niets minder dan aan een wonder moet toegeschreven worden. Let op,
1. De personen, die tot overtuiging kwamen, de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, een kapitein met zijn compagnie, die daar op wacht geplaatst waren.
a. Het waren soldaten, wier beroep gewoonlijk de strekking heeft hen te verharden, en wier gemoed meestal minder toegankelijk is voor indrukken van vrees of van medelijden dan van anderen. Maar er is geen hart zo hard of zo koen en onbeschaamd, dat door Christus’ macht niet verbroken en verootmoedigd kan worden.
b. Het waren Romeinen, heidenen, die de Schriften niet kenden, welke thans vervuld werden, toch waren zij alleen tot overtuiging gekomen. Een treurig voorteken van de verblinding, die over Israël komen zou, als het Evangelie aan de heidenen gezonden wordt om hun ogen te openen. Hier waren de heidenen vertederd, en de Joden verhard.
c. Het waren de vervolgers van Christus, die Hem nog zo-even gelasterd en gesmaad hadden, gelijk blijkt uit Lukas 23:36. Hoe spoedig kan God door de macht, die Hij heeft over het geweten der mensen, verandering brengen in hun taal, hun uitlatingen, de belijdenis van zijn waarheden tot Zijn eigen eer doen komen uit de mond van hen, die slechts moord, dreiging en lastering hebben geblazen!
2. Het middel, waardoor zij tot overtuiging gekomen zijn. Zij bemerkten de aardbeving, die hen verschrikte, en zij zagen de andere dingen, die geschied waren. Deze waren bestemd om de eer van Christus onder Zijn lijden te handhaven, en bij deze soldaten tenminste werd het doel bereikt. De ontzaglijke verschijningen Gods in zijn Voorzienigheid kunnen soms op wondere wijze medewerken tot overtuiging van zondaren, en om hen te doen ontwaken.
3. De uiting van deze overtuiging in twee dingen.
a. De schrik, waardoor zij bevangen werden, zij werden zeer bevreesd, bevreesd om in de duisternis te worden begraven, of door de aardbeving te worden verzwolgen. God kan de stoutmoedigsten Zijner tegenstanders gemakkelijk verschrikken, en hen doen weten, dat zij slechts mensen zijn. Schuld wekt vrees in de mens. Hij, die niet altijd vreest met een vrees der voorzichtigheid als de ongerechtigheid de overhand heeft, kan niet anders dan zeer bevreesd zijn, als het oordeel is uitgegaan, terwijl er de zodanige zijn, die niet zullen vrezen, al veranderde de aarde hare plaats, P. 46:2, 3.
b. Het getuigenis, dat hun ontwrongen werd. Zij zeiden: Waarlijk, deze was Gods Zoon, een heerlijke belijdenis, Petrus werd er zalig om genoemd, Hoofdstuk 16:16, 17. Het was de grote zaak, die thans in geschil was, het punt, waarbij Hij en zijn vijanden gebleven waren, Hoofdstuk 26:63, 64. Zijn discipelen geloofden het, maar hebben het toen niet durven belijden, tot onze Zaligmaker zelf was de verzoeking gekomen om er aan te twijfelen, toen Hij zei: Waarom hebt Gij Mij verlaten? Nu Hij stierf aan het kruis, beschouwden de Joden dit als een duidelijk en afdoend bewijs, dat Hij de Zoon van God niet was, omdat Hij niet afkwam van het kruis. Toch leggen deze hoofdman over honderd en zijn soldaten vrijwillig deze belijdenis af van het Christelijk geloof: Waarlijk, deze was Gods Zoon. De beste Zijner discipelen konden nooit meer gezegd hebben, en op dit ogenblik hadden zij geen geloof of moed genoeg om ook maar zoveel te zeggen. God kan de eer van een waarheid nog handhaven, ook wanneer zij het meest vertreden en verguisd wordt, want groot is de waarheid, en zij zal zegevieren.
IV. De tegenwoordigheid Zijner vrienden, die getuigen waren van Zijn dood, vers 55, 56. Merk op:
1. Wie zij waren, vele vrouwen, die Jezus gevolgd waren van Galiléa. Niet zijn apostelen (doch elders vinden wij vermeld dat Johannes bij het kruis stond, Johannes 19:26,) hun hart ontzonk hun, zij durfden niet verschijnen, uit vrees van onder hetzelfde oordeel te komen. Maar hier was een gezelschap van vrouwen - onnozele vrouwen, zouden sommigen haar genoemd hebben, die kloekmoedig Christus bleven volgen, toen de overige discipelen Hem lafhartig hadden verlaten. Zelfs zij, die tot de zwakkere kunne behoren, worden dikwijls door Gods genade sterk gemaakt in het geloof, opdat Christus’ kracht in zwakheid volbracht worde. Er zijn martelaressen geweest, vermaard wegens haar moed en vastberadenheid voor de zaak van Christus. Van deze vrouwen nu wordt gezegd:
a. dat zij Jezus gevolgd waren van Galiléa, uit haar grote liefde voor Hem, en hare begeerte om Hem te horen prediken, want anders waren de mannen slechts verplicht om ter aanbidding op te gaan naar het feest. Daar zij Hem nu op zulk een lange reis van Galiléa naar Jeruzalem gevolgd waren - het was een afstand van tachtig tot honderd mijlen, - besloten zij Hem nu niet te verlaten. Ons vroeger dienen van, en lijden voor Christus, moet een reden voor ons zijn, om Hem tot het einde getrouwelijk te blijven volgen. Hebben wij Hem zo ver, en gedurende zo lange tijd gevolgd, zo veel voor Hem gedaan en ten koste gelegd, en zullen wij Hem dan thans verlaten? Galaten 3:3, 4.
b. Om Hem te dienen van hare goederen, voor Zijn levensonderhoud. Hoe gaarne zouden zij Hem thans gediend hebben, zo zij slechts tot Hem toegelaten werden! Dewijl haar dit echter ontzegd was, besloten zij Hem te volgen. Als wij weerhouden worden van te doen wat wij zouden willen, dan moeten wij toch doen wat wij kunnen in de dienst van Christus. Nu Hij in de hemel is en buiten het bereik van ons bedienen van Hem, is Hij toch niet buiten het bereik van ons gelovig zien op Hem.
c. Sommigen van haar worden met name genoemd, want God zal hen eren, die Christus eren. Wij hebben haar reeds verscheidene malen ontmoet, en het is haar tot lof, dat wij ze ontmoeten ten einde toe.
2. Wat zij deden. Zij aanschouwden van verre.
a. Zij stonden van verre. Of haar eigen vrees, dan wel de woede der vijanden haar op een afstand hield, is niet zeker, maar het was een verzwaring van Christus’ lijden, dat zijn liefhebbers en vrienden stonden van tegenover zijn plage, Psalm 38:12, Job 10:13. Wellicht hadden zij, als zij gewild hadden, naderbij kunnen komen, maar als Godvruchtigen in lijden zijn, moeten zij het niet vreemd vinden, indien sommigen van hun beste vrienden hen schuwen. Toen Paulus in dreigend gevaar was, is niemand bij hem geweest, 2 Timotheüs 4:16. Als men ons dus vreemd aanziet, zo laat ons gedenken, dat onze Meester dit reeds voor ons ondervonden heeft.
b. Zij aanschouwden, en daarin betoonden zij belangstelling en vriendelijkheid voor Christus, toen zij verhinderd waren om Hem een anderen liefdedienst te bewijzen, hebben zij met ogen der liefde naar Hem gezien. Het was een smartelijk zien, zij zagen op Hem, die nu doorstoken was, en zij rouwklaagden en kermden over Hem. Wij kunnen ons voorstellen hoe het haar hart pijn deed, om Hem aldus te zien lijden, welke stromen van tranen uit hare ogen zijn gevloeid. Laat ons met het oog des geloofs Christus aanschouwen, en dien gekruisigd, en aangedaan worden door de grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad. Maar het was niet meer dan een zien, zij aanschouwden Hem, maar zij konden Hem niet helpen. Toen Christus in lijden was, waren de besten Zijner vrienden slechts toeschouwers, zelfs de engelenwacht stond er sidderend bij, want Hij heeft de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Hem, daarom heeft Zijn arm Hem heil beschikt.
Matthéüs 27:57-66🔗
Wij hebben hier het bericht van Christus’ begrafenis, en de wijze waarop zij heeft plaatsgehad.
Wij hebben hieromtrent te letten op:
1. De vriendelijkheid en de goede wil Zijner vrienden, die Hem in het graf hebben gelegd.
2. De boosaardigheid en de slechte gezindheid Zijner vijanden, die de uiterste zorg droegen om Hem in het graf te houden.
V. Zijn vrienden gaven Hem een eerlijke begrafenis. Merk op:
1. In het algemeen, dat Jezus Christus begraven werd. Toen Zijn gezegende ziel naar het paradijs ging, is Zijn gezegend lichaam in de kamers des grafs gelegd, opdat Hij zou beantwoorden aan het type van Jona, en de profetie van Jesaja zou vervullen. Zo moest Hij in alles de broederen gelijk gemaakt worden, uitgenomen in de zonde. en, evenals wij, moest Hij tot het stof wederkeren. Hij werd begraven, opdat Zijn dood des te zekerder zou blijken, en zijn opstanding des te heerlijker zou zijn. Pilatus zou Zijn lichaam niet hebben overgegeven, eer hij er volkomen zeker van was, dat Hij wel waarlijk was gestorven. Zolang de getuigen nog onbegraven lagen, was er nog enige hoop voor hen, Openbaring 11:8. Maar Christus, de grote getuige, is afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen. Hij was begraven, om de schrik des grafs weg te nemen en het ons licht en gemakkelijk te maken, dat koude walgelijke bed voor ons te verwarmen en te doorgeuren, en opdat wij met Hem begraven zouden zijn.
2. De bijzondere omstandigheden van zijn begrafenis, die hier verhaald worden.
a. De tijd, wanneer Hij begraven werd, als het avond geworden was, de avond van de dag, waarop Hij was gestorven, voor zonsondergang zoals de gewoonte was voor het begraven van kwaaddoeners. Het werd niet uitgesteld tot de volgenden dag, omdat dit de sabbat was, want het begraven van doden is geen voegzaam werk voor een dag van rust of voor een dag van blijdschap, zoals de sabbat is.
b. De persoon, die voor de begrafenis zorgde was Jozef van Arimathea. De apostelen waren allen gevloden, en geen hunner verscheen om hun Meester die laatste eer te bewijzen, die de discipelen van Johannes wèl aan hun meester bewezen hebben, nadat deze onthoofd was, zij namen het lichaam weg en begroeven het, Hoofdstuk 14:12. De vrouwen, die Hem volgden, durfden hierin niet handelen. Toen heeft God dien godvruchtigen man opgewekt om dit te doen, want voor het werk, dat God te doen heeft, zal Hij werktuigen vinden om het te doen.
Jozef was hier de geschikte man, want hij had er de middelen voor, daar hij rijk was. De meesten van Christus’ discipelen waren arm, dezulken waren het meest geschikt om het land door te gaan en het Evangelie te prediken, maar hier was een rijk man, bereid om voor een dienst gebruikt te worden, waarvoor een man van vermogen nodig was. Hoewel wereldse rijkdom voor velen een hinderpaal is op de weg der godsvrucht, is hij voor sommige diensten, die voor Christus gedaan moeten worden, een voorrecht en een goede gelegenheid, en voor hen, die hem bezitten, zal het goed zijn als zij daarbij ook een hart hebben om hem te gebruiken tot Gods eer.
c. Hij was onze Heere Jezus welgezind, want hij was ook zelf een discipel van Jezus, hij geloofde in Hem, hoewel hij dit niet openlijk heeft beleden. Christus heeft meer verborgen discipelen dan wij weten, zevenduizend in Israël, Romeinen 11:4.
d. De schenking van het dode lichaam van Pilatus verkregen, vers 58. Jozef kwam tot Pilatus, de bevoegden persoon tot wie hij zich hiervoor had te wenden, die de beschikking had over het lichaam, want voor alles wat de macht der overheid betreft, moet op die macht behoorlijk acht worden geslagen, en niets moet gedaan worden, dat daar tegen ingaat. Het goede, dat wij doen, moeten wij doen op vreedzame wijze, en niet met luidruchtigheid of oproerigheid. Pilatus was bereid om het lichaam te geven aan iemand, die het met betamelijkheld zou begraven, ten einde toch iets te doen om de schuld te verzoenen, die hij op zijn geweten had van een onschuldige ter dood te hebben veroordeeld. In Jozefs verzoek en in Pilatus, geredelijk toestaan van dat verzoek werd aan Christus eer bewezen, en een getuigenis afgelegd van zijn oprechtheid en onschuld.
e. Het omhullen van het lichaam in grafklederen, vers 59. Hoewel hij een achtbaar persoon, een raadsheer was, heeft hij toch, naar het schijnt, zelf het lichaam in zijn armen van het vloekhout genomen, Handelingen 13:29, want als er ware liefde voor Christus is, zal men geen dienst te gering achten, dien men Hem kan bewijzen. Het lichaam genomen hebbende, wond hij het in een zuiver lijnwaad, want het was toen de gewoonte om de lijken in linnen te begraven, en Jozef heeft die gewoonte gevolgd. Er behoort zorg te worden gedragen voor de dode lichamen van Godvruchtigen, want er is heerlijkheid voor hen weggelegd bij de opstanding, en wij moeten hierdoor van ons geloof daaraan getuigen, en het dode lichaam behandelen als bestemd zijnde voor een betere plaats. Deze daad van gewone menselijkheid zal, als zij op Godvruchtige wijze geschiedt, een lieflijk blijk van Christelijke gezindheid zijn.
f. De nederlegging er van in het graf, vers 60. Hier was niets te zien van de praal en plechtigheid, waarmee groten dezer wereld naar de graven gebracht worden. Job 21:32. Een stille begrafenis paste het best voor Hem, wiens koninkrijk niet komt met uiterlijk gelaat. Hij werd neergelegd in een geleend graf, in Jozefs begraafplaats. Evenals Hij geen eigen huis had, waarin Hij het hoofd kon neerleggen, terwijl Hij leefde, zo had Hij ook geen eigen graf, om er Zijn lichaam in neer te leggen toen Hij dood was, hetgeen een voorbeeld was van zijn armoede, toch kan hierin wel iets van een verborgenheid zijn. Het graf is het bijzonder erfdeel des zondaars, Job 24:19. Er is niets, dat wij waarlijk het onze kunnen noemen dan onze zonde en ons graf, hij keert wederom tot zijn aarde, Psalm 146:4. Als wij naar het graf gaan, gaan wij naar onze eigen plaats, maar onze Heere Jezus, die geen eigen zonde had, had geen eigen graf, stervende onder toegerekende zonde, was het voegzaam, dat Hij in een geleend graf zou worden begraven. De Joden bedoelden, dat Hij Zijn graf bij de goddelozen gesteld zou hebben, begraven zou worden bij de moordenaars, met wie Hij gekruisigd was geworden, maar God beschikte het zo, dat Hij bij de rijken in Zijn dood is geweest, Jesaja 53:9.
g. Hij werd in een nieuw graf gelegd, dat Jozef waarschijnlijk voor zichzelf bestemd had. Het zou er echter niet slechter om worden, dat Hij er in gelegen heeft, die zo spoedig zou opstaan, maar wèl zou het er veel beter om worden, dat Hij er in gelegen heeft, die de eigenschap van het graf zou veranderen, het inderdaad nieuw zou maken, door het in een legerstede der rust te verkeren, ja tot een bed van specerijen voor al de heiligen. h. In een graf, dat in een steenrots was uitgehouwen, de grond rondom Jeruzalem was over het algemeen rotsachtig. Sebna had daaromtrent zijn graf in een rots uitgehouwen, Jesaja 22:6. De voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat het graf van Christus in een vaste, gave rots zou zijn, opdat er geen mogelijkheid zou zijn om te vermoeden of te veronderstellen, dat Zijn discipelen er toegang toe hadden door een onderaardsen gang, of door de achtermuur er van gebroken te hebben, om het lichaam te stelen, want er was geen andere toegang dan door de deur, die bewaakt werd. Een grote steen was tegen de deur des grafs gewenteld.
Ook dit was overeenkomstig de gewoonte der Joden bij het begraven hunner doden, zoals blijkt uit de beschrijving van het graf van Lazarus, Johannes 11:38, aanduidende dat de doden afgescheiden en afgesneden zijn van de levenden. Indien het graf zijn gevangenis was, dan was de gevangenisdeur nu gesloten en gegrendeld. Het rollen van de steen op de mond des grafs was voor hen wat voor ons het aanvullen van het graf is met aarde, het voltooide de begrafenis. Daar zij nu in stille smart het dierbaar lichaam onzes Heeren Jezus in het graf hadden gelegd, het huis, bestemd voor alle levenden, gingen zij weg, zonder enige andere plechtigheid te verrichten.
Het is de treurigste omstandigheid bij het begraven van onze Christelijke vrienden, als wij hun lichaam in het stille, sombere graf hebben gelegd, naar huis te gaan en hen achter te laten, maar helaas, het is niet dat wij naar huis gaan en hen achterlaten. Nee, zij zijn het, die naar het betere huis zijn gegaan en ons hebben achtergelaten.
V. Het gezelschap, dat de begrafenis bijwoonde, en dat was zeer klein en onaanzienlijk. Hier waren geen bloedverwanten in rouw om het lijk te volgen, geen formaliteiten om de plechtigheid te verhogen, het waren slechts enige godvruchtige vrouwen, die de ware rouwbedrijvenden zijn geweest - Maria Magdalena en de andere Maria, vers 61. Gelijk dezen Hem gevolgd waren tot aan het kruis, zo volgden zij Hem nu naar het graf, en als gaven zij zich over aan droefheid en rouw, zaten zij tegenover het graf, niet zozeer om hare ogen te verzadigen met het gezicht op hetgeen geschied was, als wel om ze te ontledigen in stromen van tranen. Ware liefde tot Christus zal ons ten einde toe door helpen om Hem te volgen. De dood zelf kan dat Goddelijk vuur niet uit-blussen, Hooglied 8:6, 7.
VI. Zijn vijanden deden wat zij konden om zijn opstanding te beletten, wat zij hiervoor deden was des anderen daags, welke is na de voorbereiding, vers 62. Dat was de zevende dag der week, de Joodse sabbat, niet uitdrukkelijk zo genoemd, maar aangeduid door de omschrijving, omdat hij nu weldra plaats zou maken voor de Christelijken sabbat, die de dag daarna begon. Nu had Christus die gehele dag dood in het graf gelegen, zes dagen gearbeid hebbende en al Zijn werk volbracht hebbende, rustte Hij op de zevenden dag, en was verkwikt. Op dien dag hebben de overpriesters en de Farizeeën toen zij hun Godsdienstplichten hadden moeten waarnemen, biddende om vergeving voor de zonden van de voorbijgegane week, met Pilatus onderhandeld over de verzegeling van het graf, tot hun zonde nog overtreding toevoegende. Zij, die zo dikwijls met Christus getwist hadden wegens werken van de grootste barmhartigheid op dien dag, hielden zich nu zelf bezig met een werk van de grootste boosaardigheid. Merk hier op:
a. Hun toespraak tot Pilatus. Zij waren er om geërgerd en verontrust, dat het lichaam gegeven was aan iemand, die het met betamelijkheid zou begraven, daar dit nu echter zo was, verlangen zij dat er een wacht bij het graf geplaatst zou worden. Hun verzoek doet uitkomen, dat deze verleider (of bedrieger, zo noemen zij Hem, die de waarheid zelf is) gezegd heeft: Na drie dagen zal ik opstaan. Dat had Hij gezegd en de discipelen herinnerden zich diezelfde woorden ter bevestiging van hun geloof, maar zijn vervolgers gedenken ze en worden er door opgewekt tot woede en boosaardigheid. Zo was hetzelfde woord van Christus voor de een een reuk des levens ten leven en voor de ander een reuk des doods ten dode. Zie hoe zij Pilatus vleiend aanspreken met de titel van heer, terwijl zij Christus smaden met de titel van verleider. Zo zijn de boosaardigste lasteraars van goede en godvruchtige mensen meestal de laaghartigste vleiers van de groten der wereld.
b. Zij geven hun achterdocht te kennen: Opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen hem, en zeggen: Hij is opgestaan.
Ten eerste. Waar zij in werkelijkheid voor bevreesd waren, was zijn opstanding. Datgene was het meest tot eer van Christus is en tot blijdschap van Zijn volk, is het meest tot schrik van zijn vijanden. Wat Jozefs broeders het meest in woede tegen hem ontstak, was het voorteken van zijn verheffing, en dat hij heerschappij over hen zou hebben, Genesis 37:8, en wat zij beoogden in alles wat zij tegen hem deden, was dit te voorkomen. Komt en laat ons hem doden, zeggen zij, zo zullen wij zien wat van zijn dromen worden zal. Zo hebben ook de overpriesters en de Farizeeën gewerkt om de voorzeggingen van Christus’ opstanding te logenstraffen, evenals Davids vijanden van hem zeggende: Hij die neerligt, zal niet weer opstaan. Psalm 41:9. Indien Hij nu zou opstaan, dan zouden al hun maatregelen vruchteloos zijn. Zelfs als Christus’ vijanden hun wens verkregen hebben, zijn zij nog bevreesd van weer te verliezen wat zij gewonnen hebben. Wellicht waren de priesters verrast en verwonderd over de eerbied, die door Jozef en Nicodemus, twee achtbare raadsheren, aan het lichaam van Christus betoond werd, en beschouwden zij dit als een slecht voorteken. Ook kunnen zij zijn opwekking van Lazarus niet vergeten, waardoor zij zozeer beschaamd en in verwarring waren gekomen.
Ten tweede. De zaak, waarvoor zij zeiden bevreesd te zijn, was, dat Zijn discipelen bij nacht zouden komen en Hem stelen, hetgeen iets zeer onwaarschijnlijks was, want:
1. Zij hadden de moed niet Hem te erkennen toen Hij nog leefde, toen zij Hem en zichzelf nog werkelijke dienst hadden kunnen bewijzen. en nu was het niet waarschijnlijk, dat Zijn dood deze laf hartigen moed zou hebben ingeblazen.
2. Wat konden zij zich goeds voorstellen door Zijn lichaam te stelen en het volk te doen geloven, dat Hij was opgestaan, wanneer, indien Hij niet opstond en Hij alzo een bedrieger bleek te zijn, Zijn discipelen, die alles in deze wereld voor Hem hadden verlaten in de vaste hoop en verzekerdheid op een beloning in de toekomende wereld, meer dan ieder ander zouden lijden onder het bedrog, en wel reden zouden gehad hebben om van allen het eerst Zijn Naam te schandvlekken? Wat goed zou het hun doen een bedrog voort te zetten, waarvan zij zelf de slachtoffers waren, Zijn lichaam te stelen en te zeggen: Hij is opgestaan, wanneer toch, zo Hij niet was opgestaan, hun geloof ijdel, en zij zelf de ellendigsten van alle mensen zouden zijn?
a. De overpriesters vrezen dat, zo de leer van Christus’ opstanding gepredikt en geloofd wordt, de laatste dwaling erger zou zijn dan de eerste, een spreekwoordelijke uitdrukking, welke alleen betekent, dat het dan met ons allen gedaan zou zijn. Zij denken, dat het een dwaling was van hen, dat zij zolang zijn prediking en zijn wonderen oogluikend hadden toegelaten, welke dwaling zij meenden verbeterd te hebben door Hem ter dood te brengen. Maar indien de mensen nu overgehaald werden om in zijn opstanding te geloven, dan zou dit weer alles bederven. Zijn invloed zou met Hem herleven, en de hun moest dan wel afnemen, daar zij Hem zo barbaars vermoord hadden. Zij, die Christus en Zijn koninkrijk tegenstaan, zullen zich niet slechts in hun pogingen teleurgesteld zien, maar zullen zelf ook in de grootste verlegenheid worden gebracht, daar zij van de een dwaling in de andere vervallen, waarvan de laatste de ergste van allen is, Psalm 2:4, 5.
In aanmerking hiervan doen zij nederig het voorstel om tot aan de derden dag een wacht bij het graf te plaatsen. Beveel dat het graf verzekerd worde. Pilatus moet nog altijd hun vuil werk verrichten, zijn burgerlijke en militaire macht moet ten dienste van hun boosaardigheid gebruikt worden. Men zou zo gedacht hebben, dat de gevangenen van de dood geen wacht meer behoeven, en dat het graf genoeg zekerheid biedt voor zichzelf, maar wat zullen diegenen niet vrezen, die zich zowel van schuld als van onmacht bewust zijn in hun tegenstaan van de Heere en van Zijn Gezalfde?
b. Pilatus’ antwoord, vers 65. Gij hebt een wacht, gaat heen, verzekert het gelijk gij het verstaat. Hij was bereid om Christus’ vrienden ter wille te zijn door hun het lichaam te geven, en Zijn vijanden om er een wacht bij te plaatsen, hen allen te vriend willende houden, terwijl hij hen in stilte bespotte om de beweging, die zij maakten om het dode lichaam van een mens, daar hij de hoop der enen even belachelijk vond als de vrees der anderen. Gij hebt een wacht, hij bedoelde de geregelde wacht in de toren van Antonia, waaruit hij hun toestaat zoveel manschappen te nemen als hun voor dit doel goeddocht. Alsof hij zich schaamde om zelf in zulk een zaak gezien te worden, laat hij de schikking hiervan geheel aan hen over. Mij dunkt dit woord: Maakt het zo zeker als gij kunt doet wel enigszins aan spotternij denken, hetzij met hun vrees: Stel toch vooral een sterke wacht bij dien dode, of liever met hun hoop. Doet wat gij kunt, wendt al uw vernuft en al uw kracht aan, zo Hij echter van God is, zal Hij ten spijt van u en uw wacht toch opstaan.
Ik ben geneigd te denken, dat Pilatus toen al eens met de hoofdman over honderd zal gesproken hebben, zijn eigen officier, aan wie hij wel gevraagd kan hebben, hoe deze rechtvaardige gestorven is, dien hij met zoveel tegenzin had veroordeeld, en dat deze hem zulk een bericht van het voorgevallene gegeven zal hebben, dat hij tot de gevolgtrekking kwam, dat Hij waarlijk Gods Zoon was, en Pilatus zou hem meer geloof schenken dan aan duizend van die boosaardige priesters, die Hem een verleider of bedrieger noemden. Indien dit nu zo was, geen wonder dan, dat hij in stilte de spot drijft met hun plan, waarbij zij zich inbeelden het graf gesloten te kunnen houden voor Hem, die nog zo kort geleden de rotsen heeft doen scheuren en de aarde beven. Van Pilatus sprekende, zegt Tertullianus: In zijn geweten was hij een Christen, en het is mogelijk, dat hij na het bericht van de hoofdman over honderd toen tot zulk een overtuiging is gekomen, hoewel hij, evenmin als Agrippa of Felix, bewogen is geworden om een Christen te zijn.
c. De grote zorg, die zij toen aanwendden om het graf te verzekeren, vers 66. Zij verzegelden de steen, waarschijnlijk met het grote zegel van het sanhedrin, waarmee zij dus hun gezag lieten gelden, immers, wie zou het wagen dit zegel te verbreken? Daar zij dit echter nog niet veilig genoeg achtten, plaatsten zij de wacht, om Zijn discipelen te weerhouden van Hem te stelen en, zo mogelijk, Hem te beletten om uit te gaan uit het graf. Zo bedoelden zij het, maar God heeft er dit goede uit laten voortkomen, dat zij, die aangesteld waren om zijn opstanding te beletten, hierdoor de gelegenheid hadden om haar te zien, en haar ook gezien hebben, en aan de overpriesters hebben meegedeeld wat zij hebben waargenomen, zodat dezen er nu nog te minder door verontschuldigd konden worden.
Hier waren al de machten van de aarde en de hel samenverbonden om Christus gevangen te houden, maar het was tevergeefs, toen zijn ure was gekomen hebben de dood en al deze kinderen en erfgenamen des doods Hem niet langer kunnen houden, en geen heerschappij meer over Hem gehad. Het graf te bewaken uit vrees voor die arme, zwakke discipelen was dwaasheid, omdat het nutteloos was, maar te denken, dat zij het tegen de macht van God konden bewaken of bewaren was dwaasheid, omdat dit vruchteloos was, en toch dachten zij nu zeer wijselijk gehandeld te hebben.