Numeri 26
- Het geschiedde nu na die plaag, dat de HEERE sprak tot Mozes, en tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zeggende:
- Neem de som van de gehele vergadering der kinderen Israëls op, van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen, al wie ten heire in Israël uittrekt.
- Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
- Dat men opneme van twintig jaren oud en daarboven; gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en de kinderen Israëls, die uit Egypteland uitgetogen waren.
- Ruben was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluieten;
- Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.
- Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.
- En de zonen van Pallu waren Eliab.
- En de zonen van Eliab waren Nemuel, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aäron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen de HEERE maakten.
- En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken.
- Maar de kinderen van Korach stierven niet.
- De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
- Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
- Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.
- De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.
- Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;
- Van Arod het geslacht der Arodieten; van Areli het geslacht der Arelieten.
- Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.
- De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaan.
- Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.
- En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.
- Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.
- De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten;
- Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
- Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.
- De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.
- Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.
- De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.
- De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
- Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
- En van Asriel het geslacht der Asrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
- En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
- Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
- Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
- Dit zijn de zonen van Efraim, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
- En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
- Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
- De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahiramieten;
- Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
- En de zonen van Bela waren Ard en Naaman; van Ard het geslacht der Ardieten; van Naaman het geslacht der Naamieten.
- Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.
- Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.
- Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
- De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht der Imnaieten; van Isvi het geslacht der Isvieten; van Beria het geslacht der Beriieten.
- Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.
- En de naam der dochter van Aser was Serah.
- Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.
- De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten;
- Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.
- Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.
- Dat zijn de getelden van de zonen Israëls: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
- En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
- Aan dezen zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal der namen.
- Aan degenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; aan een iegelijk zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.
- Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.
- Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen.
- Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.
- Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.
- En de naam der huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.
- En aan Aäron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
- Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des HEEREN.
- En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want dezen werden niet geteld onder de kinderen Israëls, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israëls.
- Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, de priester, die de kinderen Israëls telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.
- En onder dezen was niemand uit de getelden van Mozes en Aäron, de priester, als zij de kinderen Israëls telden in de woestijn van Sinai.
- Want de HEERE had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
Inleiding🔗
Dit boek wordt Numeri genoemd naar de tellingen van de kinderen Israëls, waarvan het mededeling doet. Eenmaal werden zij geteld aan de berg Sinai in het eerste jaar nadat zij uit Egypte waren getogen waarvan wij het bericht hadden in Hoofdstuk 1 en 2. En nu worden zij voor de tweede maal geteld in de vlakke velden van Moab, even vóór zij Kanaän binnentrokken, en daarvan hebben wij een bericht in dit hoofdstuk.
I. Er worden orders voor gegeven, vers 1-4.
II. Een register van de geslachten en getallen van iedere stam, vers 5-50, en de som totaal, vers 51.
III. Er worden regels aangeduid volgens welke het land onder hen verdeeld moest worden, vers 52-56.
IV. De geslachten en getallen van de Levieten afzonderlijk, vers 57-62.
V. Er wordt nota genomen van de vervulling van de bedreiging met de dood van hen die het eerst geteld werden, vers 63-65, en hierop schijnt bij deze telling bijzonder acht geslagen te zijn.
Numeri 26:1-4🔗
Merk hierop:
1. Dat Mozes het volk niet anders geteld heeft, dan wanneer God het hem gebood. David heeft het in zijn tijd gedaan zonder een gebod van God, en het is hem duur te staan gekomen. God was Israëls koning, en Hij wilde niet, dat die daad van gezag gedaan zou worden, dan op Zijn uitdrukkelijk bevel. Mozes had nu misschien gehoord van de zegen, die Bileam, zeer tegen zijn zin en wil, genoodzaakt was geweest over Israël uit te spreken, en in het bijzonder van zijn nota nemen van hun aantal en dit getuigenis van hun kracht en heerlijkheid, afgelegd door een tegenstander, behaagt hem wel, ofschoon hij het juiste getal van het volk niet kent, voordat God hem nu zegt er de som van op te nemen.
2. Eleazar wordt hem voor die opdracht toegevoegd, zoals Aäron het tevoren geweest is, waardoor God Eleazar eerde voor de oudsten van zijn volk en hem bevestigde in de opvolging.
3. Het was terstond na de plaag, dat die telling bevolen werd, om te tonen dat God in Zijn gerechtigheid wel met hen gestreden heeft in die alles wegvagende pestilentie, maar toch geen einde met hen gemaakt had, noch hen geheel en al zou verstoten. Gods Israël zal niet aan het verderf worden prijsgegeven al worden zij ook streng gekastijd.
4. Zij moesten nu dezelfde methode volgen als bij de eerste telling, alleen diegenen tellende die ten heire uittrekken, want dat was de dienst, die zij thans hadden te volbrengen.
Numeri 26:5-51🔗
Dit is het register van de stammen zoals zij nu ingeschreven waren, naar dezelfde orde waarmee zij in hoofdstuk 1 geteld waren.. Merk hierop:
1. Dat van elke stam de geslachten vermeld worden, dat is: van de afstammelingen van de verschillende zonen van de patriarchen tot wier eer zij naar hun naam genoemd zijn. De geslachten van de twaalf stammen worden aldus geteld: van Dan slechts een geslacht, want Dan heeft maar een zoon gehad, en toch was die stam de talrijkste van alle, behalve die van Juda, vers 42, 43. Zijn begin was gering, maar zijn laatste is zeer vermeerderd geworden. Zebulon was verdeeld in drie geslachten, Efraïm in vier, Issaschar in vier, Nafthali in vier en Ruben in vier, Juda Simeon en Aser hadden ieder vijf geslachten. Gad en Benjamin hadden ieder zeven geslachten, en Manasse had acht. Benjamin heeft tien zonen naar Egypte gebracht. Genesis 46:21, maar drie van hen zijn of kinderloos gestorven, of hun geslachten zijn uitgestorven, want wij vinden hier van slechts zeven de namen bewaard, en die gehele stam behoort niet tot de talrijkste, want in de opbouw van geslachten en volken bindt Gods voorzienigheid zich niet aan hetgeen ons waarschijnlijk voorkomt. De onvruchtbare heeft zeven gebaard, en die vele kinderen had is krachteloos geworden 1 Samuel 2:5.
2. De getallen van elke stam. Als wij deze getallen vergelijken met die, welke voortkwamen uit hun telling bij de berg Sinai, dan vinden wij dat de som totaal bijna gelijk is. Thans bedraagt de gehele som achttien honderd en twintig minder dan toen, en toch is van zeven stammen het getal toegenomen. Juda nam toe met negentien honderd, Issaschar met negen duizend negen honderd, Zebulon met drie duizend een honderd, Manasse met twintig duizend vijf honderd, Benjamin met tien duizend twee honderd, Dan met zeventien honderd Aser met elf duizend negen honderd. Maar die toeneming werd meer dan opgewogen door de afneming van de vijf andere stammen. Ruben nam af met twee duizend zeven honderd en zeventig, Simeon met zeven en dertig duizend een honderd, Gad met vijf duizend een honderd en vijftig, Efraïm met acht duizend en Nafthali met acht duizend. Hierin hebben wij op te merken:
a. Dat alle drie stammen, welke gelegerd waren onder de banier van Juda, die de voorvader was van Christus, zijn toegenomen, want Zijn kerk zal gebouwd en vermeerderd worden.
b. Dat geen van de stammen zo sterk was toegenomen als die van Manasse die bij de vorige telling de kleinste van al de stammen was, slechts twee en dertig duizend twee honderd bedroeg, terwijl hij hier een van de grootste is, en zijn broeder Efraïm, die daar talrijk was, is nu hier een van de minsten. Jakob had zijn handen kruiselings op hun hoofden gelegd, en Efraïm boven Manasse gesteld waarop de Efraïmieten zich misschien verhovaardigd hebben, zodat zij hun broeders, de Manassieten, gingen vertreden, maar toen de Heere zag, dat Manasse veracht was, heeft Hij hem aldus uitermate doen vermenigvuldigen want het is Zijn heerlijkheid de zwakken te hulp te komen en hen die neergeworpen zijn, op te richten.
c. Dat geen van de stammen zo sterk afnam als die van Simeon, van negen en vijftig duizend drie honderd, verminderde hij op twee en twintig duizend twee honderd dus bijna tot op een derde van hetgeen hij geweest is. Een geheel geslacht van die stam, namelijk dat van Ohad, vermeld in Exodus 6:14, was uitgestorven in de woestijn. Vandaar dat Simeon niet genoemd wordt in de zegen van Mozes, Deuteronomium 33, en dat het erfdeel van die stam in Kanaän onaanzienlijk was, het was slechts onder het snoer van de kinderen van Juda, Jozua 19:9. Sommigen maken de gissing dat de meesten van de vier en twintig duizend, die aan de plaag gestorven zijn om de ongerechtigheid van Peor, tot die stam behoorden, want Zimri, die een aanvoerder was in die ongerechtigheid, was een overste van die stam, velen van zijn stamgenoten zullen dus door zijn invloed zijn verderfenissen zijn nagevolgd.
3. In het bericht van de stam van Ruben wordt melding gemaakt van de rebellie van Dathan en Abiram, die van die stam hadden een bondgenootschap met Korach, een Leviet vers 9-11. Hoewel de geschiedenis er van slechts enige hoofdstukken vroeger uitvoerig verhaald is, wordt er hier toch weer melding van gemaakt, als gepast om bij het nageslacht in herinnering te blijven, er aan te denken telkenmale als zij hun stamboom aanzagen en behagen vonden in de oudheid van hun geslachten en de heerlijkheid van hun voorouders, opdat zij zich een zaad van kwaaddoeners zouden noemen. Twee dingen worden hier van hen gezegd:
a. Dat zij vermaard of beroemd waren in de vergadering, vers 9. Waarschijnlijk waren zij merkwaardig wegens hun vernuft, hun werkzaamheid en hun geschiktheid voor zaken. Deze Dathan en Abiram hadden ter bestemder tijd onder God en Mozes tot eer kunnen komen, maar hun eerzuchtig gemoed bracht hen er toe om tegen God en Mozes te strijden, en toen zij twistten met de een, twistten zij ook met de ander. En wat was het gevolg?
b. Dat zij, die beroemd hadden kunnen worden, berucht werden, zij werden tot een teken, vers 10. Zij zijn tot gedenktekenen gemaakt van de Goddelijke gerechtigheid, in hun verderf toonde God zich heerlijk in heiligheid, en zo werden zij gesteld tot een waarschuwing aan anderen in alle eeuwen, om zich te wachten om in de voetstappen te treden van hun hoogmoed en rebellie. Er wordt hier nota genomen van de bewaring van de kinderen van Korach, vers 11, zij stierven niet, zoals de kinderen van Dathan en Abiram, ongetwijfeld omdat zij zich rein gehouden hebben van de besmetting, en zich niet bij de opstand wilden voegen, neen, zelfs niet met hun eigen vader. Indien wij niet delen in de zonde van de zondaren, dan zullen wij ook niet delen in hun plagen. Deze kinderen van Korach waren later van grote dienst voor de kerk, daar zij door David aangesteld werden als zangers in het huis des Heeren, vandaar dat vele psalmen gezegd worden te zijn voor de kinderen van Korach, en misschien moesten zij zolang daarna zijn naam dragen, veeleer dan die van een hunner andere voorvaderen, als een waarschuwing aan henzelf en als een voorbeeld van de macht van God die deze keurige vruchten uit die bittere wortel heeft doen voortkomen. De kinderen van geslachten, die geschandvlekt waren, moeten er naar streven om door hoge deugden de schande van hun vaderen af te wissen.
Numeri 26:52-56🔗
Mocht iemand vragen waarom er zo bijzonder rekening gehouden werd van de stammen en geslachten en van getal van het volk van Israël dan is hier het antwoord: naar hun toeneming werden zij bedeeld, niet door de gewone voorzienigheid Gods, maar naar belofte, en ter ere van de Goddelijke openbaring, wil God, dat er nota zal genomen worden van de vervulling van de belofte, zowel in hun toeneming als in hun erfdeel. Toen Mozes het volk had geteld, heeft God niet gezegd: Door deze zal het land veroverd worden, maar, dit als aangenomen beschouwende, zegt Hij hem: Aan deze zal het land uitgedeeld worden, zij, die nu ingeschreven zijn als de zonen Israëls, zullen toegelaten worden als erfgenamen van het land Kanaän. Nu wordt bij de verdeling van het land onder deze stammen:
1. Aan Mozes de algemene regel van de billijkheid voorgeschreven, namelijk dat hij aan velen meer moest geven en aan weinigen minder, vers 54. Maar helaas, zover was hij van aan anderen te geven, dat hij zelf niets zal ontvangen, maar deze aanwijzing, die hem gegeven werd, was bestemd voor Jozua, zijn opvolger.
2. De toepassing van deze algemene regel moest geschieden door het lot vers 55. Niettegenstaande het aldus aan de wijsheid van hun vorst schijnt overgelaten, blijft de zaak toch ter eindbeslissing aan de voorzienigheid Gods, waarin zij hebben te berusten, al zou die nog zozeer ingaan tegen hun staatkunde en hun neiging, het land nochtans zal door het lot gedeeld worden. Als de God van de volkeren, en de God van Israël in het bijzonder, behoudt Hij zich voor de bepaling van hun woning te verordenen. En zo heeft Christus, onze Jozua, toen men Hem drong de plaats van een van Zijn discipelen te bepalen aan Zijn rechterhand, en die van een anderen aan Zijn linkerhand in Zijn koninkrijk, de soevereiniteit Zijns Vaders erkend in het beschikken hierover: Het staat bij Mij niet te geven. Jozua moet over de erfdelen in Kanaän niet beschikken naar zijn eigen wil of neiging, het zal gegeven worden hun aan wie het bereid is van Mijn Vader.
Numeri 26:57-62🔗
Levi was Gods stam, een stam, die niet met de overigen een erfdeel zou hebben in het land Kanaän, en daarom ook niet met de overigen geteld werd, maar op zichzelf. Aldus werden zij geteld aan het begin van dit boek bij de berg Sinai, en daarom vielen zij niet onder het vonnis, uitgesproken over allen, die toen geteld waren, namelijk dat niemand van hen in Kanaän zou komen dan Kaleb en Jozua, want van de Levieten, die niet met hen geteld waren, en ook niet met het leger moesten uittrekken, zijn Eleazar en Ithamar, en misschien nog anderen, die toen boven de twintig jaren oud waren zoals blijkt uit hoofdst. 4:16, 28 Kanaän binnengegaan, en toch was deze stam bij deze tweede telling slechts met duizend toegenomen, en was nog altijd een van de kleinste stammen. Er wordt hier melding gemaakt van de dood van Nadab en Abihu wegens hun brengen van vreemd vuur voor het aangezicht des Heeren, zoals tevoren van de zonde en de straf van Korach, want deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden.
Numeri 26:63-65🔗
Hetgeen opmerkelijk is in het slot van dit verhaal, is de volvoering van het vonnis, uitgesproken over de murmureerders, Hoofdstuk 14:29, dat niet een van hen, die geteld waren, van twintig jaar oud en daarboven, (en dat waren de Levieten niet, want deze waren geteld òf van een maand oud, of van dertig jaar tot vijftig) in Kanaän zou komen behalve Kaleb en Jozua. Bij de monstering, die nu gehouden werd, zijn ongetwijfeld aan diegenen van iederen stam, die aangesteld waren om de getallen op te nemen bijzondere aanwijzingen gegeven om hun lijsten te vergelijken met de vorige en na te gaan of er van de getelden bij de berg Sinai nog enigen waren overgebleven, en het bleek, dat geen enkel man, die nu geteld was, toen ook geteld was, behalve Kaleb en Jozua, vers 64, 65. Hierin blijkt:
1. De rechtvaardigheid Gods, en Zijn getrouwheid aan Zijn bedreigingen, als het raadsbesluit eens is uitgegaan. Hij heeft gezworen in Zijn toorn, en wat Hij gezworen heeft, heeft Hij volbracht. Het is beter dat al die dode lichamen, al waren er ook tienmaal meer geweest, ter aarde vallen, dan dat het woord Gods ter aarde valt. Hoewel het opkomend geslacht met hen vermengd was, en velen van de schuldige en veroordeelde misdadigers het vonnis lang overleefd hebben, zelfs tot in het laatste van de veertig jaren, zijn zij toch allen op de een of andere wijze afgesneden, voordat deze telling geschiedde. Zij, die door God veroordeeld zijn, kunnen niet ontkomen, noch door als het ware opgelost te worden in de menigte, noch door uitstel van executie.
2. De goede tijding van God aan dit volkin weerwil van hun tergingen. Hoewel dit murmurerend geslacht uitgeroeid was, heeft God toch een ander geslacht verwekt, dat even talrijk was, zodat, hoewel deze omkwamen, de naam Israël toch niet uitgedelgd was, en het erfdeel van de belofte niet teloorging uit gebrek aan erfgenamen. En hoewel het getal iets minder was dan het bij de berg Sinai geweest is, hadden de thans getelden dit voordeel, dat zij allen mannen waren van middelbaren leeftijd tussen de twintig en de zestig jaren, in de bloei van hun ouderdom voor de dienst. Gedurende de acht en dertig jaren van hun omzwervingen in de woestijn hadden zij gelegenheid om bekend te worden met de wetten en inzettingen Gods, daar zij generlei werk of bezigheid hadden van burgerlijken of militairen aard om hen van die heilige studie af te leiden en Mozes en Aäron hebbende, om hen te onderwijzen, alsmede Gods goede Geest, Nehemia 9:20.
3. De getrouwheid Gods in de vervulling van Zijn belofte aan Kaleb en Jozua. Zij zouden er voor behoed worden om in dit algemene verderf te vallen, en zij zijn er voor behoed. De pijlen des doods, hoewel zij in de duisternis vliegen, vliegen toch niet in ‘t wilde, ook niet als zij het menigvuldigst vliegen, maar worden naar het bestemde doel gericht, en naar geen ander. Aan allen, die ten leven geschreven zijn, zal hun leven gegeven worden als een buit ook zelfs in de gevaarlijkste tijden. Duizenden mogen vallen aan hun rechterhand, en tien duizend aan hun linkerhand, maar zij zullen ontkomen.