Ga naar inhoud

2 Petrus 1

  1. SIMEON PETRUS, een dienstknecht en apostel van JEZUS CHRISTUS, aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben door de rechtvaardigheid van onzen God en Zaligmaker Jezus Christus:
  2. Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God en van Jezus onzen Heere;
  3. Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;
  4. Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid.
  5. En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,
  6. En bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid,
  7. En bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen.
  8. Want zo deze dingen bij u zijn en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus.
  9. Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.
  10. Daarom, broeders, benaarstigt u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.
  11. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus.
  12. Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet, en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt.
  13. En ik acht het recht te zijn, zolang ik in dezen tabernakel ben, dat ik u opwek door vermaning;
  14. Alzo ik weet dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, gelijkerwijs ook onze Heere Jezus Christus mij heeft geopenbaard.
  15. Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid, dat gij na mijn uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben.
  16. Want wij zijn geen kunstiglijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekendgemaakt hebben de kracht en toekomst van onzen Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.
  17. Want Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige Heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.
  18. En deze stem hebben wij gehoord, als zij van den hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op den heiligen berg waren.
  19. En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de Morgenster opga in uw harten;
  20. Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging;
  21. Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.

Inleiding🔗

In dit hoofdstuk hebben wij:

I. Een inleiding of voorrede, die voorbereidt voor hetgeen de apostel voornamelijk bedoelt, vers 1- 4.
II. Een vermaning om te wassen en toe te nemen in alle Christelijke deugden, vers 5-7.
III. Om deze vermaning kracht bij te zetten en hen aan te moedigen om haar ernstig en van harte na te leven, voegt hij daarbij:
1. Een voorstelling van het zeer grote voordeel. dat zij daardoor zouden verkrijgen, vers 8-11.
2. Een belofte van de beste hulp, welke de apostel instaat was hun te geven om het toenemen in goede werken hun te vergemakkelijken, vers 12-15.
3. Een verklaring van de zekere waarheid en de Goddelijke oorsprong van het Evangelie van Christus, in de genade waarvan zij werden aangemaand toe te nemen en te volharden.

2 Petrus 2:1-4🔗

De apostel Petrus, door de Heilige Geest gedrongen om nog eens te schrijven aan hen onder de Joden, die tot het geloof in Christus gebracht waren, begint dezen tweeden brief met een inleiding, waarin dezelfde personen worden beschreven en dezelfde zegeningen voor hen begeerd worden, als in de voorrede van de eerste brief, maar er zijn sommige toevoegingen of veranderingen, waarvan wij behoren kennis te nemen, en wel in alle drie de delen van de inleiding.

I. Wij hebben hier een omschrijving van persoon, die de brief schreef, bij de naam Simon zowel als Petrus, en bij de titel dienstknecht zowel als apostel. Petrus, zo luidt de naam in beide brieven, en deze schijnt het meest gebruikt te zijn geweest, en wij mogen ook onderstellen dat die hem het meest behaagde, daar deze hem gegeven was door onzen Heere, op zijn belijdenis dat Jezus Christus de Zoon des levenden Gods is, en deze naam betekende en bevestigde dat deze waarheid de grondslag, de rotssteen, was waarop gebouwd moet worden. Maar de naam Simon, hoewel overgeslagen in de vorige brief, wordt in deze genoemd, omdat het voortdurend verzwijgen van de naam, die hem bij zijn besnijdenis gegeven was, de Joodse gelovigen, die allen ijveraars voor de wet waren, na-ijverig op de apostel kon maken, alsof hij zijn besnijdenis ontkende en verachtte. Hij noemt zichzelven hier een dienstknecht (zowel als een apostel) van Jezus Christus, en daarin mag hij zich beroemen evenals David, Psalm 116:16.. De dienst van Christus is de weg tot de hoogste eer, Johannes 15:26. Christus zelf is de Koning der koningen, en de Heere der heren, en Hij maakt al Zijn dienstknechten koningen en priesters voor God, Openbaring 1:6. Welk een eer is het dienstknechten van deze Meester te zijn! Hiervoor kunnen wij ons zonder te zondigen niet schamen. Er zich op te beroemen een dienstknecht van Christus te zijn, is betamelijk voor hen, wier roeping het is anderen te brengen tot of te doen blijven in de dienst van Christus.

II. Wij hebben verder een voorstelling van hen, aan wie de brief geschreven wordt. In de vorige brief worden zij genoemd: uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader. En hier: degenen, die een even dierbaar geloof met ons verkregen hebben door onzen Heere Jezus Christus. Want het hier genoemde geloof is zeer verschillend van dat van de ketter, of van het geveinsde geloof van de huichelaar, of van het dode geloof van de vormelijke belijder, hoe rechtzinnig die laatste ook zijn moge. Het is het geloof van Gods uitverkorenen, Titus 1:1, gewrocht door de Geest Gods door werkdadige roeping.

Merk hier op:

1. Het ware zaligmakende geloof is een kostbare genade, en dat niet alleen omdat het zeer ongewoon, zeer schaars is, zelfs in de zichtbare kerk, omdat er een zeer klein aantal van ware gelovigen is onder een grote menigte van zichtbare belijders, Mattheüs 22:14, maar het ware geloof is voortreffelijk en van zeer groot nut en voordeel voor hen, die het bezitten. De rechtvaardige leeft door het geloof, een waarachtig, Goddelijk, geestelijk leven, het geloof verschaft allen nodigen bijstand en troost van dit heerlijke leven, het geloof gaat tot Christus en koopt wijn en melk, Jesaja 55:1, die het rechte voedsel voor de nieuwen mens zijn, het geloof koopt en brengt thuis het gedreven goud, de hemelse schatten die rijk maken: het geloof neemt en trekt aan de witte klederen, de koninklijke sierlijke klederen, Openbaring 3:28.

2. Het geloof is even dierbaar in de gewonen Christen als in de apostel, het geeft de een zowel als de ander dezelfde kostbare vrucht. Het geloof verenigt de zwakken gelovige met Christus even zeker als de sterken gelovige, en ieder oprecht gelovige wordt door zijn geloofgerechtvaardigd in de ogen Gods, en dat van alle zonden, Handelingen 13:39. Het geloof, in wie het zich ook openbaart, legt de hand op dezelfden dierbaren Zaligmaker, en beroept zich op dezelfde dierbare beloften.

3. Dit dierbaar geloof wordt verkregen van God. Het geloof is een gave Gods, gewrocht door de Geest, die Jezus Christus opwekte uit de doden.

4. De dierbaarheid van het geloof, zowel als ons verkrijgen er van, zijn door de rechtvaardigheid van Christus. De voldoenende, verdienende gerechtigheid en gehoorzaamheid van Christus geeft aan het geloof al zijn waarde en dierbaarheid, en zijn gerechtigheid kan niet anders dan van oneindige waarde zijn voor hen, die haar door het geloof ontvangen. Want:

A. Deze Jezus Christus is God, Hij is onze God. Hij is waarachtig God, de Oneindige, Hij, die deze gerechtigheid gewrocht heeft, en daarom moet zij oneindige waarde hebben.

B. Hij is de Zaligmaker van allen, die geloven, en als zodanig bewees Hij deze verdienende gehoorzaamheid, en daarom is die zulk een grote zegen en zulk een voorrecht voor hen, omdat Hij als Borg en Zaligmaker deze gerechtigheid in hun plaats wrocht.

III. Wij hebben hier de apostolische zegenbede, waarin hij toewenst de vermenigvuldiging en toeneming van de Goddelijke genade voor hen en de bevordering en groei van het werk der genade in hen, en dat de vrede met God en met hun eigen geweten (zonder genade kan er geen vrede zijn) in henovervloedig moge zijn. Dit is dezelfde zegenbede als die in de vorige brief, maar hij voegt er hier bij:

1. Een mededeling van de wijze en de middelen, waardoor genade en vrede worden vermenigvuldigd. Dat is door de kennis van God en van Jezus, onzen Heere. Deze kennis van en dit geloof in de enigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft, zijn het grote bewijs van geestelijk leven, anders kon zij niet de weg ten eeuwigen leven zijn, Johannes 17:3.

2. De grond, waarop de apostel vraagt en waarop de Christelijke hoop mag verwachten, de groei van genade. Hetgeen wij reeds ontvangen hebben moet ons vrijmoedigheid geven om meer te vragen, Hij, die het werk der genade begonnen heeft, zal het ook voleindigen.

Merk op:

A. De fontein van alle geestelijke zegeningen is de Goddelijke macht van Jezus Christus, die al Zijn Middelaarswerk nooit had kunnen volbrengen, indien Hij niet God was zowel als mens.

B. Alle dingen, die enige betrekking tot en enigen invloed op het geestelijk leven hebben, het leven en de kracht der godzaligheid, zijn van Jezus Christus, in wie al de volheid woont, en het is alleen van Hem, dat wij ontvangen genade voor genade, Johannes 1:16, zowel als al wat nodig is voor de bewaring, verbetering en volmaking van genade en vrede, welke, volgens sommige uitleggers in dit vers begrepen worden onder de benaming: al wat tot het leven en de godzaligheid behoort.

C. De kennis van God en het geloof in Hem zijn het kanaal, waardoor alle geestelijke steun en troost ons toegevoerd worden. Maar dan moeten wij God erkennen als de bewerker van onze daadwerkelijke roeping, want als zodanig wordt Hij hier beschreven: die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd. Het doel van God in de roeping der mensen is hen tot heerlijkheid en deugd te brengen, dat is vrede en genade, gelijk sommigen het opvatten, maar velen geven de voorkeur aan de woorden heerlijkheid en deugd, en hier zien wij ons de daadwerkelijke roeping dus voorgesteld als een werk van heerlijkheid en deugd, of de heerlijke kracht Gods, welke beschreven wordt in Efeziërs 1:19. Het is de heerlijkheid van Gods macht om zondaren te bekeren, dit is de macht en de heerlijkheid Gods, welke gezien worden in Zijn heiligdom, Psalm 63:3, deze macht en deugd moet geprezen worden door allen, die geroepen zijn uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, 1 Petrus 2:9.

D. In het vierde vers gaat de apostel er toe over om hun geloof en hoop aan te moedigen, in het uitzien naar een toenemen van genade en vrede, omdat dezelfde heerlijkheid en deugd in het werk gesteld en geopenbaard zijn in het geven der beloften van het Evangelie, die vervuld zijn in onze daadwerkelijke roeping.

a. De goede dingen, waarvan de beloften ons verzekering geven, zijn uitnemend groot. Vergeving van zonden is een van de hier bedoelde zegeningen, hoe groot die is, zullen allen gaarne toestemmen, die iets weten van de sterkte van Gods toorn, en dit is een van die beloofde gunsten, in de betoning waarvan de macht des Heeren groot is, Numeri14:17. Het vergeven van zo talrijke en schandelijke zonden (waarvan elke op zich zelve Gods toorn en vloek voor eeuwig verdiend heeft), is een wonderbaar ding en wordt zo ook genoemd, Psalm 119:18.

b. De beloofde zegeningen van het Evangelie zijn zeer dierbaar: gelijk de grote belofte van het Oude Testament was het Zaad der vrouw, de Messias, Hebreeën 11:39, zo was de grote belofte van het Nieuwe Testament de Heilige Geest, Lukas 24:49, en hoe dierbaar behoort ons de levendmakende, verlichtende, heiligende Geest te zijn!

c. Zij, die de beloften van het Evangelie ontvangen, worden daarvoor der Goddelijke natuur deelachtig. Zij worden vernieuwd in de geest huns gemoeds, naar het evenbeeld Gods, in kennis, rechtvaardigheid en heiligheid, hun harten worden aan God en Zijn dienst gewijd, zij bezitten een Goddelijke gesteldheid der ziel, want wel is de wet de bediening des doods en de letter die doodt, maar de Geest maakt levend hen, die dood waren in zonden en misdaden.

d. Zij, in wie de Geest de Goddelijke natuur werkt, worden verlost van de dienstbaarheid der verderfenis. Die door de Geest der genade vernieuwd zijn in de geest huns gemoeds, worden overgebracht in de vrijheid der kinderen Gods, want in de wereld heerst het verderf. Maar zij, die niet van de Vader doch van de wereld zijn, bevinden zich onder de macht der zonde, de wereld ligt in het boze, 1 Johannes 5:19. En de zonde heerst in de mensen van de wereld door de begeerlijkheid, hun begeerte gaat naar haar uit en daarom regeert zij over hen. De heerschappij, die de zonde over ons heeft, ontstaat uit het vermaak, dat wij in haar hebben.

2 Petrus 1:5-11🔗

In deze woorden komt de apostel tot de voornaamste inhoud van de brief: hen aan te vuren en te verbinden tot toenemen in genade en heiligheid, daar zij reeds kostelijke genade ontvangen hebben en deelgenoten van de Goddelijke natuur geworden zijn. Het is een zeer goed begin, maar wij mogen er niet in berusten alsof wij daardoor reeds volmaakt waren. De apostel had gebeden dat genade en vrede hun vermenigvuldigd mochten worden, en nu dringt hij er bij hen op aan om te maken dat zij meerdere genade mogen verkrijgen. Wij moeten, indien wij daartoe in de gelegenheid zijn, henvoor welken wij bidden vermanen en hen aanwakkeren tot het gebruiken van alle doelmatige middelen om te verkrijgen hetgeen wij verlangen dat God hun geven zal, en zij, die enigen voortgang in de godsdienst willen maken, moeten zeer ijverig en werkzaam in hun pogingen zijn. Zonder het toebrengen van alle naarstigheid, komen wij niet verder in het werk der heiligheid, zij, die slordig zijn in het beoefenen van dengodsdienst, zullen er niet komen, wij moeten strijden om in te gaan door de enge poort, Lukas 13:24.

I. Hier kunnen wij opmerken hoe de weg van de gelovige stap voor stap is afgebakend.

1. Hij moet verkrijgen deugd, volgens sommigen moeten wij daaronder verstaan rechtvaardigheid. Daarna volgen kennis, matigheid en lijdzaamheid, die daarmee gepaard gaan. Men mag aannemen, dat de apostel deze als de vier hoofddeugden hun aanbeveelt, de vier grondbestanddelen, waaruit elke andere deugd of deugdzame handeling voortkomt. Maar aangezien het een getrouw woord is, en ernstig bevestigd, dat degenen, die aan God geloven, zorg moeten dragen om goede werken voor te staan, Titus 3:8, mogen wij hier onder deugd verstaan kracht en moed, zonder welke geen gelovige goede werken kan voorstaan of er in toenemen en uitmunten. De rechtvaardige behoort moedig te zijn als een jonge leeuw, Spreuken 28:1, een laf Christen, die bevreesd is om de leer en praktijk van het Evangelie te belijden en te betrachten, moet verwachten dat Christus zich ten jongsten dage voor hem schamen zal. Laat uw harten u niet ontzinken in de kwade dag, maar toont u dapper in het tegenstaan van allen weerstand en van alle vijanden, wereld, vlees, duivel, ja de dood. Wij hebben behoefte aan deugd gedurende ons leven, en zij zal ons van uitnemend nut zijn in ons sterven.

2. De gelovige moet bij zijn deugd kennis voegen, voorzichtigheid bij zijn moed. Er is een kennis van Gods Naam, die voor het geloof gaat, Psalm 9:11, en wij kunnen niet weten welke de goede, aangename en volmaakte wil van God is, tenzij wij die kennis bezitten, maar er zijn eigenaardige omstandighedenvoor onze plichten, welke gekend en waargenomen moeten worden, wij moeten de aangewezen middelen gebruiken en dat op de bekwamen tijd. Christelijke voorzichtigheid let op de mensen, met welken wij te doen hebben, en op de plaats waar en het gezelschap waarin wij zijn. Iedere gelovige moet staan naar de kennis en de wijsheid, die nodig zijn om hem te besturen, zowel als naar de eigenaardige wijze en orde, waarin de Christelijke deugden moeten beoefend worden.

3. Bij onze kennis moeten wij matigheid voegen. Wij moeten kalm en gematigd zijn in onze liefde tot en ons gebruik van de goederen dezes levens, en indien wij een recht verstand en de ware kennis van uitwendige gemakken hebben, zullen wij zien dat hun waarde zeer veel lager staat dan die van geestelijke goederen. Lichamelijke oefeningen en lichamelijke voorrechten doen slechts weinig nut en moeten daarom ook naar dien maatstaf geacht en gebruikt worden, het Evangelie leert ons matigheid zowel als bescheidenheid, Titus 2:12. Wij moeten gematigd zijn in het begeren en gebruiken van de goederen dezes levens, zoals spijs en drank, klederen, slaap, uitspanningen en eer, een bovenmatige begeerte naar deze dingen is onbestaanbaar met een ernstige begeerte naar God en Christus. En zij, die van deze dingen meer nemen dan betaamt, kunnen Gode noch de mensen geven wat hun toekomt.

4. Voegt bij de matigheid lijdzaamheid, welke een volmaakt werk moet hebben, want wij kunnen niet volmaakt en geheel oprecht en in geen ding gebrekkelijk zijn, Jakobus 1:4, zonder zulke lijdzaamheid, omdat wij tot moeite geboren zijn en door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk der hemelen. En het zijn deze verdrukkingen, die de lijdzaamheid werken, Romeinen 5:3. Daardoor verkrijgen wij de oefening en de gelegenheden om in de genade te wassen, waardoor wij alle onheilen en kruisen dragen met stilteen onderwerping, zonder tegen God te murmureren of ons over Hem te beklagen, maar Hem rechtvaardigende, die alle droefenis over ons doet komen, erkennende dat ons lijden altijd veel minder is dan wij door onze zonden verdiend hebben, en gelovende dat het niet zwaarder is dan ons nuttig kan zijn.

5. Bij de lijdzaamheid moeten wij godzaligheid voegen, en die wordt zelf door de lijdzaamheid gewerkt, want deze brengt bevinding voort, Romeinen 5:4. Wanneer de Christenen hun droefenissen lijdzaam dragen, verkrijgen zij een bevindelijke kennis van de liefhebbende vriendelijkheid van hun hemelse Vader, die hun overtredingen met de roede bezoekt en hun ongerechtigheden met plagen, maar zijn goedertierenheid van hen niet wegneemt en in Zijn getrouwheid niet feilt, Psalm 89:33, 34. En hierdoor worden zij gebracht tot kinderlijk ontzag en eerbiedige liefde, waarin de ware godzaligheid bestaat.

6. Bij deze moeten wij voegen broederlijke liefde, een tedere genegenheid voor al onze mede- Christenen, die kinderen zijn van dezelfden Vader en dienstknechten van dezelfden Meester, leden vanhetzelfde gezin, reizigers naar hetzelfde vaderland, erfgenamen van dezelfde erfenis, en daarom bemind moeten worden met een rein hart en vurige liefde, met een liefde vol inschikkelijkheid, als dezulken die ons bijzonder na en dierbaar zijn en in welken wij buitengewoon behagen hebben, Psalm 16:3.

7. Liefde jegens allen, of liefdadigheid en goedgezindheid jegens alle mensen, moet gevoegd worden bij de liefde, die wij voor Gods kinderen koesteren. God heeft alle volken uit enen bloede gemaakt, en alle mensenkinderen zijn deelgenoten aan dezelfde menselijke natuur, vatbaar voor dezelfde barmhartigheden, onderworpen aan dezelfde droefenissen, en daarom, hoewel de Christenen in geestelijk opzicht onderscheiden en verwaardigd zijn boven degenen die buiten Christus leven, moeten zij toch met anderen medelijden hebben in hun ongelukken en hen helpen in hun noden, zowel naar het lichaam als naar de ziel hun welvaart bevorderen, wanneer zij daartoe gelegenheid hebben. Daardoor moeten allen, die in Christus geloven, tonen dat zij kinderen zijn van de God, die allen goed is, maar meest het ware Israël.

II. Al de bovengenoemde deugden moeten wij bezitten, zullen wij instaat zijn tot alle goede werken, tot de plichten van de eerste en de tweede tafel, tot werkende en lijdzame gehoorzaamheid, en voor die diensten, waarin wij God moeten navolgen, zowel als voor die, waarin wij Hem alleen hebben te gehoorzamen. Teneinde ons dus op te wekken tot ijverig en onvermoeid najagen daarvan, houdt de apostel ons de voordelen voor ogen, die allen zullen genieten, welke deze deugden bezitten en die er overvloedig in zijn, vers 8-11. Zij worden ons voorgehouden:

1. Meer algemeen, vers 8. Het bezit van deze dingen zal ons niet ledig en onvruchtbaar laten (ledig dat is: lui, werkeloos). Daaronder moeten wij, volgens de bedoeling des Heiligen Geestes, meer verstaan dan hier onder woorden gebracht is. Wanneer ons van Achaz, de slechtste en God meest-tergende koning van Juda, bericht wordt dat hij deed wat niet recht was in de ogen des Heeren, 2 Koningen 16:2, moeten wij dat lezen alsof er stond: hij deed het meest beledigende en afschuwelijkste, want dat toont zijn levensgeschiedenis. Wanneer er dus hier gezegd wordt, dat de aanwezigheid en overvloed van deze Christelijke deugden ons niet ledig en onvruchtbaar zal laten, dan betekent dat: zij zal u zeer ijverig en levendig, krachtig en werkzaam maken in alle praktische Christendom, en buitengewoon vruchtbaar in alle werken der gerechtigheid. Zij zullen veel heerlijkheid aan God brengen, door onder de mensen u vruchtbaar te doen zijn in de kennis, of erkentenis, van onzen Heere Jezus Christus, door Hem te erkennen als Heere, en zelf u Zijn dienstknechten te doen zijn, overvloedig in het werk, dat Hij u te doen gegeven heeft. Dat is het noodzakelijk gevolg van het voegen van de een deugd bij de andere, want indien alle Christelijke deugden in het hart zijn, verbeteren, versterken, bemoedigen en verlevendigen zij elkaar, zo groeien en bloeien zij, en waar de genade overvloedig is daar zal ook overvloed van goede werken zijn. Hoe begeerlijk is het in de toestand te verkeren, dien de apostel in vers 8 schetst! Dat blijkt uit vers 9. Daar doet hij ons zien hoe ellendig men is zonder deze verlevendigende, vruchtdragende genaden. Want hij, die de vorengenoemde deugden niet bezit, of voorgeeft ze te hebben en er de schijn van heeft, maar ze niet in praktijk brengt, is blind, namelijk voor geestelijke en hemelse dingen, zoals uit de volgende woorden blijkt: hij is van verre niet ziende. De tegenwoordige slechte wereld kan hij zien en daar verlaat hij zich op, maar hij onderscheidt hoegenaamd niets van de toekomende wereld, zodat hij geen genegenheid gevoelt voor de geestelijke voorrechten en hemelse zegeningen daarvan. Hij, die de uitnemendheid van het Christendom ziet, gevoelt de noodzaak om ijverig al deze genaden na te jagen, die volstrekt noodzakelijk zijn om heerlijkheid, eer en onsterflijkheid te verkrijgen. Maar wanneer deze genaden niet verkregen of nagejaagd worden, dan zijn de mensen niet instaat om de dingen te zien, die in werkelijkheid niet ver verwijderd zijn, hoewel het naar hun schatting schijnt dat zij op groten afstand liggen, omdat zij zelven ze ver van zich vandaan houden. En hoe ellendig is de toestand van hen, die zo blind zijn voor de ontzagwekkend grote dingen van de toekomende wereld, die niets kunnen zien van de werkelijkheid en zekerheid, de grootheid en nabijheid der heerlijke vergelding, welke God de rechtvaardigen geven zal, en de vreeslijke straf, die Hij op de Goddelozen zal toepassen. Maar dat is nog niet al de ellende van hen, die geen deugd, kennis enz. bij hun geloof voegen. Zij zijn evenmin instaat om achterwaarts als om voorwaarts te zien, hun geheugen is vergeetachtig en niet instaat om het verleden vast te houden, zij vergeten dat zij gedoopt zijn, dat zij de middelen hadden verkregen en de verplichting hun opgelegd was, tot heiligheid van hart en leven. Door de doop worden wij verplicht tot een heiligen oorlog tegen de zonde, en zijn plechtig gehouden tot een strijd tegen het vlees, de wereld en de duivel. Stelt u dikwijls voor de geest en overdenkt ernstig uw plechtige verbintenis om des Heeren te zijn, en uw eigen voordeel om af te leggen alle vuiligheid des vleses en des geestes.

2. De apostel stelt twee bijzondere voordelen voor, die zullen samengaan met of volgen op ijver in het werk des Christens: standvastigheid in de genade en een zegevierende ingang in de heerlijkheid. Hij vlecht die in bij een herhaling van zijn vroegere vermaning, die hij in andere woorden geeft, want wat in vers 5 genoemd wordt naarstigheid toebrengen om bij het geloof deugd enz. te voegen, heet in vers 10: zich benaarstigen om zijn roeping en verkiezing vast te maken. Hierbij kunnen wij opmerken:

A. Het is de plicht der gelovigen hun verkiezing vast te maken, voor zichzelven tot helderheid te komen dat zij uitverkorenen van God zijn.

B. De weg om hun eeuwige verkiezing vast te maken is hun daadwerkelijke roeping te bevestigen, niemand kan inzien in het boek van Gods eeuwige raadsbesluiten en voornemens, maar voor zover God hen, die Hij geroepen heeft, ook heeft uitverkoren, mogen wij besluiten dat wij ter zaligheid verkoren zijn, wanneer wij vinden dat wij daadwerkelijk geroepen zijn.

C. Er is veelijver en werk voor nodig om onze roeping en verkiezing vast te maken, wij moeten zeer nauwkeurig onszelf onderzoeken, doorzoeken en ondervragen of wij krachtdadig bekeerd zijn, of ons verstand verlicht is, onze wil vernieuwd, onze ziel en haar begeerte werkelijk veranderd. En omin deze vragen tot zekerheid te komen, vereist de grootste ijver, dat kan niet bereikt worden zonder Goddelijke hulp, zoals wij zien in Psalm 139:23 en Romeinen 8:16. Maar hoe moeilijk en zwaar dat ook is, deinst er niet voor terug, want groot is het voordeel, dat gij er door behaalt, want: a. Daardoor zult gij bewaard worden voor vallen, en dat wel ten allen tijde en onder alle omstandigheden, zelfs in uren van verzoeking, die over de aarde komen zullen. Wanneer anderen zullen vallen in boze en schandelijke zonden, zullen zij, die op die wijze naarstig zijn, bekrachtigd worden om voorzichtig te wandelen en de weg van hun plicht te blijven betreden. Wanneer velen in dwalingen vallen, zullen zij gezond blijven in het geloof en volmaakt staan in al de wil van God. b. Zij, die naarstig zijn in het werk van de godsdienst, zullen een ruimen ingang hebben in de heerlijkheid, terwijl van de weinigen, die zalig worden, sommigen nauwelijks gered worden, 1 Petrus 4:18, met grote moeite als door vuur, 1 Corinthiërs 3:15. Zij, die wassen in de genade en overvloedig zijn in het werk des Heeren, zullen zich rijkelijk toegevoegd zien de ingang in het eeuwig koninkrijk, het koninkrijk waar Christus regeert, en zullen eeuwig met Hem regeren.

2 Petrus 1:12-15🔗

I. De belangrijkheid en het voordeel van toeneming en volharding in genade en heiligmaking deed de apostel zeer ijverig zijn in het werk van een dienaar van Christus, ten einde hen daardoor aan te wakkeren en bij te staan om ijverig zijn in de Christelijke plichten. Wanneer dienaren slap en nalatig in hun arbeid zijn, kan men moeilijk verwachten dat de gemeente vlijtig zal zijn in de haren. Daarom wilde Petrus niet verzuimen(dat is nergens, in geen deel van zijn werk en opdracht verzuimen) maar voorbeeldig en overal ijverig zijn, om hun de dingen in gedachtenis te brengen. Dat is de bediening van de beste dienaren, zoals van de apostelen, zij zijn het, die des Heeren doen gedenken, Jesaja 62, 6, zij zijn voornamelijk geroepen om Zijn beloften te verkondigen en om Gode voor te stellen waartoe Hij zich aan de Godvrezenden verbonden heeft, en zij moeten de gemeente herinneren aan Gods voorschriften en haar de leerstellingen en plichten van het Christendom voor ogen houden, opdat zij Gods geboden moge naleven. En dat doet de apostel, hoewel sommigen het onnodig achtten omdat zij de dingen reeds wisten waarover hij schreef, en in de waarheid, die hij bevestigde, geworteld waren. Merk op:

1. Wij hebben nodig dat ons hetgeen wij reeds weten herinnerd wordt, om te voorkomen dat wij het vergeten, en onze kennis te verbeteren, opdat die in de praktijk vruchten drage.

2. Wij moeten bevestigd worden in het geloof aan de waarheid, opdat wij niet door elke wind van leer bewogen worden, en vooral in dat deel der waarheid, waarvan de kennis in onze dagen meer noodzakelijk is, dat tot onzenvrede behoort endoor onzen tijdgeest het meest bestreden wordt. De grote leerstellingen van het Evangelie: dat Jezus is de Christus, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken en dat allen, die in God geloven, ijverig moeten zijn in goede werken, zijn de waarheden, waarop de apostelen in hun tijd aanhielden, dat zijn getrouwe woorden, aller aanneming waardig, in elke eeuw van de Christelijke kerk. En gelijk deze voortdurend door de dienaren moeten bevestigd worden, Titus 3:8, zo moet de gemeente er wel in onderwezen en gefundeerd worden, maar toch moeten ze haar gestadig voor ogen gesteld en ingeprent worden, aangezien ze niet te goed bekend of te vast geloofd kunnen zijn. Ook de meest gevorderde Christenen staan in deze wereld niet boven de instellingen, of buiten noodzaak van de middelen, die God verordend heeft en doet aanbieden. En daar de gemeente onderwijs en vermaning behoeft zolang zij in deze wereld verkeert, is het zeer betamelijk en recht dat de dienaren, zolang zij in de aardse tabernakel zijn, haar onderrichten en vermanen, en haar de waarheden herinneren, die zij vroeger heeft gehoord, want dat is het rechte middel om haar aan te wakkeren tot ijverig en levendig gehoorzamen aan het Evangelie.

II. De apostel, van dezen eis doordrongen, deelt ons mede, vers 14, wat hem in deze zaak zo ernstig doet zijn: hij wist niet alleen dat hij zeker, maar daarbij dat hij spoedig zijn tabernakel zou moeten afleggen. Merk op:

1. Het lichaam is slechts de tabernakel van de ziel. Het is een gering en beweeglijk bouwwerk, de pinnen kunnen gemakkelijk uitgetrokken worden en de koorden in een ommezien gebroken.

2. Deze tabernakel moet afgelegd worden. Wij zullen in ons aardse huis niet lang blijven. Zoals wij des avonds onze klederen uittrekken en ter zijde leggen, zo moeten wij bij het sterven onze lichamen uittrekken en worden deze in het graf gelegd tot de morgen der opstanding. 3. De nabijheid van de dood maakt de apostel ijverig in het werk dezes levens. Onze Heere Jezus had hem geopenbaard dat de tijd van zijn vertrek aanstaande was, en daarom arbeidde hij met des te groter ijver en vuur, omdat de tijd kort was. Hij moest spoedig hen, aan wie hij schreef, verlaten, en daar zijn verlangen was dat zij de leer, die hij hun overgeleverd had, in gedachtenis zouden houden wanneer hijzelf van hen genomen was, volbracht hij zijn werk door hun te schrijven. De apostel had geen grote gedachte van mondelinge overlevering. Die was niet het rechte middel om het doel te bereiken, dat hij zich voorgesteld had. Hij wilde dat zij altijd van deze dingen gedachtenis zouden hebben, ze niet alleen in het geheugen bewaren, maar er ook melding van maken, dat ligt in het oorspronkelijke woord. Zij, die de Heere vrezen, vermelden Zijn naam en spreken van zijn goedertierenheid. Dat is het middel om de kennis des Heeren te verbreiden, en dat was de begeerte van de apostel. Zij, die het geschreven Woord Gods hebben, worden daardoor er toe instaat gesteld.

2 Petrus 1:16-18🔗

Hier vinden wij de reden voor de ijver en de ernst, waarmee de voorgaande vermaning gegeven werd. Deze dingen zijn geen vertelseltjes, geen ijdele dingen, maar van zekere waarheid en grote gevolgen. Het Evangelie is geen kunstig verdichte fabel. Het bevat niet de woorden van iemand, die de duivel had, ook niet de mening van een groep mensen, die door list en geslepenheid trachtten anderen te bedriegen. De weg van zaligheid door Jezus Christus is blijkbaar de raad Gods. Hij zelf vond dezen weg tot zaliging van zondaren door Jezus Christus, wiens macht en komst door het Evangelie zijn geopenbaard en door de apostelen gepredikt werden, om ze ons bekend te maken.

1. De prediking van het Evangelie is het bekendmaken van de kracht van Christus, dat Hij machtig is om ook de grootste zondaren, die tot God komen, te redden. Hij is de machtige God, en daarom kan Hij redden zowel van de onreinheid als van de schuld der zonde.

2. Ook de komst van Christus is bekendgemaakt door de prediking van het Evangelie. Hij, die beloofd werd onmiddellijk na de val des mensen, als in de volheid des tijds te zullen geboren worden uit een vrouw, is nu in het vlees gekomen, en wie dat ontkent is de antichrist, 1 Johannes 4:3, die wordt bezeten en bezield door de geest van de antichrist. Maar zij, die de ware apostelen en dienaren van Christus zijn en bestierd en geleid worden door Zijn Geest, getuigen dat Christus gekomen is volgens de belofte, in het vertrouwen waarop alle Oud-Testamentische gelovigen stierven, Hebreeën 11:39. Christus is in het vlees gekomen. Omdat zij, die Hij kwam redden, des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij die evenzeer deelachtig geworden, opdat Hij in hun natuur en in hun plaats zou lijden en daardoor voor hen verzoening aanbrengen. Die komst van Christus wordt in het Evangelie zeer helder en omstandig voor ogen gesteld. Maar er is een tweede komst, die ook daarin vermeld wordt, en welke de dienaren van het Evangelie evenzo moeten verkondigen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders met al Zijn heilige engelen, want Hij is aangewezen om de Rechter van levenden en doden te zijn. Hij zal komen om de wereld in gerechtigheid te oordelen door het eeuwig Evangelie en ons allen oproepen om rekenschap af te leggen van al wat in het lichaam geschied is, hetzij goed hetzij kwaad.

3. En hoewel dit Evangelie van Christus godslasterlijk een fabel genoemd is door een van de ongelukkigen, die zichzelven de opvolgers van de heiligen Petrus noemen, bewijst de apostel hier dat het de grootste zekerheid en werkelijkheid bezit. Gedurende dentijd, die onze Zaligmaker hier op aarde doorbracht, toen Hij de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen had en in de gelijkenis van een mens verschenen was, heeft Hij soms zelf getuigd dat Hij God was, en voornamelijk aan onzen apostel en de beide zonen van Zebedeüs, die aanschouwers geweest zijn van zijn majesteit, toen Hij voor hen van gedaante veranderd werd, en Zijn aangezicht scheen als de zon, en Zijn kleding wit werd als het licht, zo wit als sneeuw, zoals geen voller ter aarde witter maken kan. Petrus, Jakobus en Johannes waren daar ooggetuigen van, zij mochten en moesten het dus aan ons getuigen. En hun getuigenis is waarachtig, want zij deelden mede wat zij met hun ogen gezien hadden en met hun oren gehoord, want behalve dat de zichtbare heerlijkheid van Christus hun geopenbaard werd, was er een hoorbare stem van de hemel.

Merk hier op:

A. Welk een heerlijke verklaring hier afgelegd werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in welken Ik Mijn welbehagen heb, de beste stem, die ooit van de hemel op de aarde kwam. God heeft een welbehagen in Christus, en door Hem in ons. Deze is de beloofde Messias, door wie allen, die in Hem geloven, aangenomen en zalig gemaakt worden.

B. Deze verklaring werd afgelegd door God de Vader, die daardoor openlijk Zijn Zoon erkende (ook in Zijn toestand van vernedering, toen Hij in de gestaltenis van een dienstknecht rondwandelde), ja, Hij verklaarde Hem Zijn geliefde Zoon te zijn, toen Hij in dien vernederende toestand verkeerde. Zo weinig verhinderen de lage en nederige omstandigheden van Christus de liefde van de Vader voor Hem, dat er gezegd wordt dat het afleggen van Zijn leven een der voorname redenen van de liefde Zijns Vaders is, Johannes 10:17.

C. De bedoeling van deze stem was onzen Zaligmaker bijzonder eer te geven terwijl Hij hier beneden was. Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen. God schept er behagen in Hem te eren. Gelijk Hij van ons eist dat wij eer en heerlijkheid aan de Zoon zullen brengen, door te belijden dat Hij onze Zaligmaker is, zo geeft Hij eer en heerlijkheid aan de Zaligmaker door te getuigen dat Hij zijn Zoon is.

D. Deze stem kwam van de hemel, welke hier de hoogwaardige heerlijkheid genoemd wordt, en daardoor wordt nog groter heerlijkheid op onzen Zaligmaker afgestraald. Deze verklaring kwam van God, de fontein van alle eer, en uit denhemel, de zelfde heerlijkheid, waar God in volle majesteit troont.

E. Deze stem werd niet alleen gehoord, maar ook verstaan door Petrus, Jakobus en Johannes. Zij hoorden niet alleen een geluid (zoals de menigte deed: Johannes 12:28, 29), maar zij verstonden de woorden. God opent de oren en het verstand van Zijn volk om te ontvangen wat voor hen van belang is, terwijl de anderen, zoals de reisgezellen van Paulus, alleen de klank der woorden hoorden, Handelingen 9:7, maar ze niet verstonden, en daarom gezegd worden niet gehoord te hebben de stem, die tot Hem sprak, Handelingen 22:9. Gezegend zijn zij, die niet alleen horen maar ook verstaan, die de waarheid geloven en de macht van de stem uit de hemel gevoelen, zoals hij deed die deze dingen getuigt. En wij hebben de meest-gegronde reden om zijn getuigenis aan te nemen,want wie zou weigeren geloof te hechten aan hetgeen zo omstandig verhaald wordt omtrent deze stem van de hemel?

F. Zij werd door hen gehoord, toen zij met Jezus op de heiligen berg waren. De plaats, welke God verkiest voor een of andere openbaring van buitengewone genade, wordt daardoor zelf heilig gemaakt, niet met inwonende heiligheid, maar gelijk de grond, waarop God aan Mozes verscheen, heilig was, Exodus 3:5, en gelijk de berg, waarop de tempelgebouwd werd, heilig was, Psalm 87:1. Zulke plaatsen zijn betrekkelijk heilig, en moeten als zodanig beschouwd worden gedurende de tijd dat men daar ondervindt, of door het Woord gewaarborgd er gelovig mag verwachten, de bijzondere tegenwoordigheid en de genadige invloed van de heiligen en heerlijken God.

2 Petrus 1:19-21🔗

In deze woorden geeft de apostel een ander bewijs om de waarheid en werkelijkheid van het Evangelie te staven, en duidt aan dat dit tweede nog sterker en overtuigender is dan het eerste en het nog ontegensprekelijker maakt, dat de leer van de kracht en de komst van onzen Heere Jezus Christus geen kunstig verdichte fabel van slimme tegenwerkende mensen is, maar de wijze en wondervolle raad van de heiligen en genadig God. Want dit is door de profeten en schrijvers van het Oude Testament voorzegd, die spraken en schreven onder de leiding en naar de aanwijzing van Gods Geest.

I. De omschrijving gegeven van de boeken des Ouden Testaments luidt: zij zijn een profetisch woord, dat zeer vast is.

1. Zij zijn een profetische verklaring van de kracht en de komst, de Godheid en de vleeswording van onzen Zaligmaker, welke wij in het Oude Testament hebben. Daar is voorzegd dat het zaad der vrouw de kop der slang zou vermorzelen. Daar worden voorzegd: Zijn macht om de duivel en diens werken te verwoesten, Zijn geboorte uit een vrouw, de grote en ontzagwekkende naam van God, onder het Oude Testament, Jehovah, die volgens sommigen alleen betekent: Hij zal zijn en die, Exodus 3:14, wordt weergegeven als Ik zal zijn, die Ik zijn zal, en die op de laatste wijze gelezen heen duidt naar de vleeswording Gods om de verlossing en zaliging, die komende waren, voor Zijn volk te bewerkstelligen. Maar het Nieuwe Testament is de geschiedenis van hetgeen onder het Oude Testament profetie was. Al de profeten en de wet zijn tot op Johannes, Mattheüs 11:13. En de evangelisten en apostelen hebben de geschiedenis beschreven van hetgeen als profetie geopenbaard was. Nu is de aanvulling van het Oude Testament door het Nieuwe, en de overeenstemming van het Nieuwe Testament met het Oude, een onwraakbaar getuigenis voor de waarheid van beide. Leest het Oude Testament als een voorspelling van Christus, en gebruikt met vlijt en dankbaarheid het Nieuwe als de beste uitlegging van het Oude.

2. Het Oude Testament is een profetisch woord, dat zeer vast is. Het was dat voor de Joden, die het als de woorden Gods ontvingen. De latere profeten bevestigden hetgeen door de vroegere voorzegd was, en deze profetieën werden opgeschreven op uitdrukkelijk bevel, bewaard door de bijzondere zorg, en vele daarvan reeds vervuld door de wonderbare voorzienigheid Gods, en daarom waren zij voor hen, die ze reeds lang geleden ontvangen en gelezen hadden, een zekerder woord dan des apostels verhaal van een stem uit de hemel. Mozes en de profeten overtuigen machtiger dan de wonderen zelven, Lukas 16:31. Hoe vast en zeker behoort ons geloof te zijn, dat zulk een vast en zeker woord heeft om op te steunen! En al de profetieën van het Oude Testament zijn nog meer vast en zeker voor ons, die het verhaal bezitten van haar nauwkeurigste en volledigste vervulling.

II. De aanmoediging, welke de apostel geeft om de Schrift te onderzoeken. Hij zegt ons: Gij doet wel dat gij daarop acht hebt. Wij moeten ons verstand er toe zetten om de bedoeling te verstaan en ons hart omde waarheid te geloven van dit zekere woord, wij moeten er ons voor buigen, opdat wij er door vertederd en gevormd mogen worden. Het woord is het voorbeeld der leer, waaraan wij overgegeven zijn, Romeinen 6:17, de gedaante der kennis, Romeinen 2:20, waarnaar wij onze gedachten en gevoelens moeten regelen, waaraan onze woorden en belijdenissen, ons gehele leven en al onze wandelmoeten beantwoorden. Indien wij ons voegen naar het Woord van God, doen wij in alle opzichten goed, en hetgeen Gode aangenaam en ons voordelig is, en daarmee brengen wij in werkelijkheid aan het Woord Gods niet meer dan de verschuldigde eer. Maar opdat wij zouden acht geven op het Woord, noemt de apostel sommige dingen op, die van buitengewoon nut zijn voor wie tot het rechte doel de Schrift willen lezen.

1. Zij moeten de Schrift beschouwen en gebruiken als een licht, dat God in de wereld gezonden heeft, om de duisternis te doorschijnen, die over de gehele aarde verspreid ligt. Het Woord is een lamp voor de voet van hen, die het recht gebruiken, het ontdekt hun de weg, waarin de mensen moeten wandelen, het is het middel, waardoor wij de weg des levens kunnen leren kennen.

2. Zij moeten hun eigen duisternis erkennen. Deze wereld is een plaats van dwaling en onwetendheid, en ieder mens in de wereld is van nature verstoken van de kennis, die nodig is om het eeuwige leven te bereiken.

3. Wanneer ooit mensen wijs worden tot zaligheid, dan is dat doordien het Woord Gods in hun harten schijnt. Natuurlijke denkbeelden over God zijn niet voldoende voor gevallen mensen, die op zijn best veelte weinig weten, maar noodzakelijk veelmeer moeten weten, omtrent God, dan Adam in de staat der onschuld wist.

4. Wanneer het licht van de Schrift door de Heilige Geest Gods straalt in de blinde ziel en het verduisterde verstand van de mens, dan licht de dag aan en gaat de morgenster op in zijn hart. Die verlichting vaneen verstand, dat in nachtelijk duister verkeert, is gelijk de dageraad, die al helderder en helderder wordt, en over de gehele ziel opgaat, tot het daar volle dag is geworden, Spreuken 4:18. Het is een toenemende kennis, zij, die op deze wijze verlicht worden, denken nooit dat zij genoeg weten, tot zij eindelijk kennen zoals zij gekend zijn. Acht geven op dat licht is het noodzakelijk belang en de plicht van allen, en allen, die de waarheid doen, komen tot dat licht, terwijl de kwaaddoeners zich op een afstand houden.

III. De apostel noemt ons een ding, dat noodzakelijk voorafgaat aan het acht geven op het vasthouden aan de Schrift, en dat is de wetenschap, dat alle profetie van Goddelijke oorsprong is. Deze belangrijke waarheid stelt hij niet alleen voorop, maar hij bewijst haar. Merk op:

1. Geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging, (geen uitvinding van menselijke mening, geen uitlegging van menselijk verstand) maar openbaring van Gods wil. Dit was het onderscheid tussen de profeten Gods en de valse profeten, die in de wereld geweest zijn. De profeten des Heeren spraken nooit iets uit hun eigen verstand, Mozes, hun hoofd, zegt dat uitdrukkelijk, Numeri 16:28: Dat ze niet uit mijn eigen hart zijn, ik heb geen zelfbedachte geboden en instellingen overgeleverd. Maar de valse profeten spreken het gezicht huns harten, niet uit des Heeren mond, Jeremia 23:16. De profeten en schrijvers van de Schrift spraken en schreven wat de wil Gods was, en hoewel zij onder de invloed en de leiding van de Geest stonden, kan men wel aannemen dat zij gewillig waren om die dingen te openbaren en mede te delen, omdat God wilde dat zij ze spreken en schrijven zouden. Maar hoewel de Schrift niet is het maaksel van der mensen eigen inzicht en willekeur, doch de openbaring van de zin en de wil Gods, moet toch ieder voor zichzelven haar onderzoeken, om haar bedoeling en mening te verstaan.

2. Deze belangrijke waarheid van de Goddelijke oorsprong der Schrift (dat hetgeen zij bevat het woord Gods en niet eens mensen bevat) moet geweten en erkend worden door allen, die acht geven willen op dat woord, dat zeer vast is. Dat de Schrift het Woord Gods is, is niet alleen een artikel van het ware Christelijke geloof, maar ook een voorwerp van wetenschap of kennis. Gelijk iemand niet slechts gelooft, maar ook zeker weet dat die of die persoon, die zijn bijzondere vriend is, alle gewone, bijzondere en eigenaardige kentekenen en eigenschappen van een vriend heeft, zo weet de Christen dat dit boek het Woord Gods is, en ziet hij in dat boek al de bijzondere eigenschappen, die bewijzen dat het een Goddelijk-ingegeven boek is. Hij smaakt een zoetheid, voelt een kracht, ziet een heerlijkheid er in, die waarlijk Goddelijk zijn.

3. De Goddelijkheid van de Schrift moet in de eerste plaats gekend en erkend worden, alvorens men haar recht gebruiken kan en zij behoorlijk in acht genomen kan worden. Daartoe is het enige en onfeilbare middel ons verstand af te trekken van alle andere geschriften en het bepaald aan haar te wijden, zij vereist noodwendig dat wij er ten volle van overtuigd zijn, dat zij Goddelijk ingegeven werd en bevat hetgeen waarlijk Gods zin en wil is.

IV. In aanmerking nemende hoe volstrekt noodzakelijk het is, dat de mensen van de Goddelijke oorsprong der Schrift overtuigd zijn, zegt de apostel ons vers 21, hoe het Oude Testament samengesteld werd.

1. Ontkennend. Niet door de wil eens mensen. De dingen zelven, die er in verhaald worden en waarvan de mededeling de onderscheidene delen van het Oude Testament uitmaakt, zijn niet gevoelens van mensen. En ook was niet de wil van enig der profeten en schrijvers van de Schrift de regel of reden, waarom deze dingen werden opgeschreven om de canon van de Schrift te vormen.

2. Bevestigend. Maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben haar gesproken. Merk op:

A. Zij waren heilige mensen Gods, die gebruikt werden voor het boek, dat wij als Gods Woord ontvingen. Indien Biléam en Kájafas en anderen, die van heiligheid ontbloot waren, bij sommige gelegenheden iets van de geest der profetie hadden, toch werden zulke mensen niet gebruikt om enig gedeelte van de Schrift ten nutte van Gods kerk te schrijven. Al de schrijvers van de Schrift waren heilige mensen Gods.

B. Deze heilige mensen werden gedreven door de Heilige Geest in hetgeen zij overleverden als de mening en de wil van God. De Heilige Geest is opperste werker, de mensen zijn slechts werktuigen.

a. De Heilige Geest inspireerde hen en gaf hun op wat zij als de wil Gods moesten overleveren.

b. Hij spoorde hen krachtig aan en leidde hen er werkdadig toe om te spreken (en te schrijven) wat Hij hun in de mond legde.

c. Hij bestierde hen zo wijselijk en zorgvuldig en stond hen zo getrouw bij in het overbrengen van hetgeen zij van Hem ontvangen hadden, dat zij metterdaad bewaard bleven voor enige de minste vergissing in de uitdrukking van hetgeen zij openbaarden, zodat de eigen woorden van de Schrift moeten aangezien worden voor woorden van de Heilige Geest, en al de duidelijkheid en eenvoud, al de kracht en deugd, al de sierlijkheid en eigenaardigheid, van die woorden en uitdrukkingen door ons moeten beschouwd worden als komende van God. Vermengt uw geloof derhalve met hetgeen gij in de Schrift vindt, acht en eerbiedigt uw Bijbel als een boek, geschreven door heilige mensen, geïnspireerd, beïnvloed en bijgestaan door de Heilige Geest.